Dokteren

Almeerse zorgcentra en ouderenzorg uniek in jaren 80

Zorgcentra als de Overloop (`1984), de Kiekendief (1987) en de andere drie, samen met verpleeghuis Polderburen vormden die een Almeers succes. De huisartsen zorgden voor de verzorgingshuizen, samen met de wijkverpleging. De verpleeghuisarts zorgde voor het verpleeghuis. Tijdelijk iemand opnemen in de Overloop werd geregeld, voor een weekend bijvoorbeeld als de wijkverpleging dat weekend niet voor elkaar kreeg. Die verpleeghuisarts zorgde dat overal de hekken van verpleegbedden verdwenen bij verwarde patiënten en het vastbinden verbood hij. Verwarde patiënten klauterden namelijk over die hekken en braken van alles. De oplossing was het bed laag te zetten, zonder hek, met een matras er naast, zodat die verwarden zachtjes vielen. Geen botbreuken meer. Dit was landelijk nieuws.

Dit stelsel van zorgcentra met aanleunwoningen, lichte zorg en zware zorg in één gebouw, dat moest in de jaren 80 landelijk bevochten worden. Landelijk was er namelijk nogal wat conservatisme aan de financiële kant, want de financiering van wonen, verzorgingshuis en verpleeghuis moest in elkaar geschoven worden wat tot dan toe drie gescheiden circuits waren. Het is gelukt, de eerste integrale zorgcentra van aanleunwoning tot en met dementiebedden onder één dak. Het personeel, huisartsen en wijkverpleging hadden dezelfde werkgever waardoor er geen domeinstrijd was. Nu kon de zorg de verslechterende patiënt volgen, zonder dat de patiënt een paar keer moest verhuizen. We hebben nooit echtparen uit elkaar hoeven halen. Want met alle zorgniveau’s in huis kun je in de ene kamer de ernstig zorgbehoeftige plaatsen en in de aanleunwoning of zelfs in de kamer ernaast de partner met matig zorgbehoefte. Zorg volgt patiënt, niet andersom.

Bij dementie waren dag- of nachtopnames mogelijk als de partner uitgeput raakte. Die financieringscode bestond niet, maar het is wel gedaan. Dan werd het aantal dagen geleidelijk aan uitgebreid tot volledige opname nodig was. Dan was er geen strijd bij die definitieve opname, want het ging allemaal geleidelijk.

We hebben zelfs een hospicebed in de Overloop gehad, waar eerst de wijkverpleging voor zorgde die diezelfde patiënt ook thuis al verzorgd had, samen met de eigen huisarts. Financieel was dat weer lastig, want zonder 100% bezetting draaide de boel financieel negatief. En een sterfbed krijg je nooit 100% bezet. De Overloop directie kreeg het voor elkaar, 100% financiering van dat ene bed bij 70% bezetting.

De Overloop hoorde bij het dorp. Zo kon de kleindochter op de Meergronden in haar schoolpauze even op de thee bij oma in de Overloop; 100 meter lopen. Uniek in Nederland en wij waren er trots op.

Nico van Duijn, 21 september 2026

Almeerse zorgcentra en ouderenzorg uniek in jaren 80 Read More »

Flevoziekenhuis, hoe dat er kwam

Een ziekenhuis, dat waren de stedenbouwers van de RIJP een beetje vergeten. Toevallig zat de regering omhoog met te veel ziekenhuisbedden in Amsterdam. Het Burgerziekenhuis werd daarom in 1983 eenvoudigweg verplaatst naar Almere, met vrijwel alle personeelsleden. Dat waren eerst poliklinieken in de Passage. Spraakmakend was die aparte dermatoloog die patiënten genas met lachtherapie, in een oranje jurk. In 1991 opende het huidige Flevoziekenhuis de deuren, doelbewust midden in de stad en niet aan de stadsrand, net als het OLVG en het Groningse ziekenhuis midden in de stad staan.

De wethouder van toen, André Tierie heeft nog geprobeerd alle specialisten in loondienst te krijgen. Dat is maar deels gelukt. Vooral de cardiologen, die met het toenmalige tarievenstelsel wel heel erg veel verdienden, waren niet voor dienstverband te porren. Ook het eigen ziekenhuis had een dorps karakter. Huisartsen en specialisten kenden elkaar goed, wat prettig werken was bij wachttijden als de huisarts toch iets eerder wilde insturen. Zo kon het gebeuren dat ik soms iemand op kon nemen terwijl daar geen goede medische reden voor was, maar wel een sociale. Andersom kon de chirurg de huisarts bellen dat hij iemand vrijdagmiddag wilde ontslaan uit het ziekenhuis om een bed vrij te maken. Dat was hoogst onpraktisch, want organiseer dan maar eens wijkverpleging in het weekend. Toch regelden we dat dan en gingen we, dienst of niet, ’s avonds en zaterdag even thuis langs. Je deed wat voor elkaar, want dat ziekenhuis was ook een beetje van ons.

Nico van Duijn, 21 september 2026

Flevoziekenhuis, hoe dat er kwam Read More »

Oh ja, er moet nog een dokter komen

Hoe de Almeerse zorg is opgebouwd vanaf 1976

In 1974 las ik in de krant over die nieuwe stad, Almere. Daar wilde ik huisarts worden en schreef een sollicitatiebrief. Alles van de grond af aan opzetten, geen last van wat er al was, daar had ik zin in. Dit betekende wel dat ik alles moest kunnen, want er was niks in de polder, geen ziekenhuis, geen collega’s, apotheek of laboratorium. Ik heb dus extra bevallingen gedaan tijdens de opleiding, en ben na mijn huisartsenjaar doelbewust gaan werken in een ziekenhuis op de afdeling interne met hartbewaking, allemaal om ook ernstige zaken goed aan te kunnen. Zo’n grondige voorbereiding is één keer geruststellend geweest toen we lang afgesloten waren van de bewoonde wereld door vorst en sneeuw, in winter ’78-’79. Niemand kon het dorp in of uit. De Gooimeerdijk was onbegaanbaar door sneeuwval en een andere weg naar de Hollandse Brug was er niet. Ik heb ‘em wel geknepen, maar gelukkig was er niemand hoogzwanger en niemand kreeg een hartinfarct.

In oktober 1976 werd ik gevraagd me te vestigen, en een beetje vlug graag, per 1 december. Ze waren eigenlijk vergeten dat er ook een dokter nodig was in Almere. Ik heb mijn baan opgezegd als arts-assistent interne, een bloeddrukmeter gekocht en ben gaan kijken daar. Mijn sollicitatiebrief was meer een uitvoerige beleidsnota over het opzetten van een gezondheidscentrum, dat je naast individuele zorg ook een verantwoordelijk was voor een gezonde bevolking, voor de wijk. Dienstverband hoorde daarbij, vond ik, want zorg leveren moest losgekoppeld zijn van geld verdienen. Het was een nogal modern standpunt in een wereld waar vrijwel alle dokters vrije ondernemers waren in solopraktijken en wars van bemoeienis. Dienstverband was dokters een gruwel, want dat zou de autonomie van de dokter belemmeren.

Zogenaamd vrijgevestigd

Dat dienstverband kreeg ik jammer genoeg niet, want er was net een financieel debacle in Lelystad geweest met een gezondheidscentrum en de GGD in één gebouw. Er was ruzie geweest met de Lelystadse huisartsen over geld, tot schade van de overheid. ‘Zoek het lekker zelf uit en vooral geen steun aan dokters’, was de teneur geworden in de adviesraad. De Lelystadse ZIJP-bestuurder Groot Koerkamp en ambtenaar Jan de Vries waren het daar niet mee eens, dus die bedachten een list. Ik moest me zelfstandig vestigen, maar werd ook aangesteld als lijkschouwer voor Zuidelijk Flevoland, voor 3000 gulden per maand, dalend naarmate ik meer patiënten kreeg. Dan konden die kosten verstopt worden in de GGD-begroting en konden ze me toch op weg helpen.

Dat opzetten van een praktijk, verhuizen, huis inrichten, praktijkspullen kopen, afspraken maken, bankzaken, ik moest het allemaal regelen in die twee maanden, naast mijn 80-urige werkweek in het ziekenhuis. Bij dat ziekenhuiswerk kon het gebeuren dat je overdag werkte, een avond- en nachtdienst had en zonder veel slaap weer een dagdienst. Dus scheurde ik ’s avonds en in het weekend heen en weer tussen het ziekenhuis Leidschendam en Almere. De eerste decemberweek in Almere zakte ik door mijn hoeven, ziek, uitgeput. Ik heb dagen geslapen. Het verhaal gaat dat ik die paar dagen alleen uit bed kwam voor mensen die nog zieker waren dan ik. Dat was één keer, een ziek kind.

Gezondheidscentrum de Haak

In december 1976 ben ik ingehuisd in de Haak, in de onderzoekskamer van ambulancebroeder Cees Marcusse. Dat noodgebouw stond waar nu de Overloop staat. In het begin was Cees wat wantrouwend tegenover zo’n 27-jarige langharige snuiter met een gebreid tasje, nota bene in een oude Renault-4. Tot dan regelde hij namelijk alle zorg, in de hele polder van 40.000 hectare. Van blaasontsteking tot gebroken been en hartinfarct, hij zorgde dat het goed kwam. Wat ik daaraan toe kon voegen was hem een raadsel. Maar al vlot konden we het uitstekend met elkaar vinden.  

Mijn bereikbaarheid, daar had ik niet zo over nagedacht. Daarom bood buurvrouw Sieske aan om op de telefoon te passen, via mijn antwoordapparaat en me te piepen op de semafoon, zo’n bak van 5 kilo. Dan zocht ik gauw een telefoon op om haar te bellen.

Veel mensen waren er nog niet, eerst die honderd gezinnen op de Schoolwerf en Middenhof Wel waren er veel bouwvakkers overdag en die vielen wel eens van de steiger. Maar daar ging Cees over, niet ik, zo maakte hij me duidelijk. Op straat was voor hem, in huis voor mij.

De Haak heette de Haak, omdat stedenbouwkundigen alles van bovenaf zien, op hun tekeningen. Het noodgebouw had aldus bezien een haakvorm. Daarna zijn we verhuisd naar het houten noodgebouw van de politie op de Marken. Op die plek woon ik nu, de Zuidmark. We namen de naam ‘Haak’ mee, ook toen we het definitieve gezondheidscentrum betrokken in 1981. Ik heb gewaarschuwd dat we de naam de Haak meenamen naar de Schoolstraat en dat ze dus die straatnaam Haak moesten laten vervallen. Dat zou verwarring geven. Dat is niet gebeurd, de verwarring is er nog. Het adres van gebouw de Hulk is dus de Haak, het adres van gebouw de Haak is Schoolstraat 32.

Vanzelf ging dat niet

Het was een periode van talloze vergaderingen, overleggen en commissies, want van de vele gretige ziekenfondsen wilde ik er maar één, de relaties met ziekenhuizen in ‘t Gooi opgebouwd, laboratorium diensten geregeld, de apotheker vond zijn plek, het Flevolandse RIAGG (de GGZ-organisatie) moest opgericht, de wijkverpleging moest de ruimte krijgen en het multidisciplinaire van zo’n gezondheidscentrum leidde ook tot talrijke overleggen. We regelden talloze sollicitatiegesprekken, bijscholing, financiën, verzekeringen, instrumentarium, en bouwden de relaties met specialisten uit. Veel voorbeeld was er niet, want we waren het derde gezondheidscentrum van heel Nederland.

Op straat werd ik nogal eens aangesproken met doktersvragen, spreekuur op straat eigenlijk, in het begin vaker dan in de spreekkamer. De medisch-technische zaken, daar wist ik wel weg mee. Maar wat je met een behoorlijk ziek kind moest of met rode vlekjes, ik had geen idee. Voor vlekjes belde ik mijn moeder (zes kinderen gehad). Voor de rest belde ik Gerda de kinderarts in Naarden, desnoods ‘s nachts. Ook de ervaren huisartsen van Muiden en Muiderberg waren mijn vraagbaak.    

De Haak werd een echt centrum

De bouw van het definitieve gezondheidscentrum de Haak aan de Schoolstraat in 1981 is vooral het werk van Willem Spiers geweest, de tweede huisarts sinds 1977. Zijn komst gaf lucht, want in je eentje altijd dienst, dat was pittig. Spiers was praktischer dan ik, hij was sterk in regelen. Op één punt waren we niet zo handig. Onervaren als we waren hadden we in 1982 een hypotheek op het nieuwe gebouw afgesloten met 13% rente, voor 10 jaar. Het was de oliecrisistijd en niemand durfde ons te adviseren.

Spiers en ik waren een goed duo. Ik de inhoud, hij de organisatie. Ik leerde van hem, hij van mij. Hij deed graag bevallingen, maar ik vond dat maar enge geneeskunde en was blij toen er een verloskundige kwam. We deden bevallingen thuis, waarvan die ene stortbevalling in de huiskamer me bijbleef. Die mensen hadden een hoogpolig wit tapijt, tot dan tenminste. In het ziekenhuis in Naarden deden we ook bevallingen, op de zolder van dat ziekenhuisje. Dan zag je me weghollen bij het spreekuur, plankgas in die Renault-4. Mijn record was 16 minuten, van spreekkamer tot die zolder in Naarden. Veel kinderen, nu veertigers, hebben daarom in hun paspoort ‘Geboorteplaats Naarden’ staan.

Zorggroep Almere

Eerst heette dat SMGA, toen EVA en nu Zorggroep, de organisatie die na en naast de Haak hetzelfde deed waar wij mee begonnen waren. Ze bouwden uiteindelijk 20 gezondheidscentra, 5 zorgcentra en een verpleeghuis. De basis was door de Haak gelegd, met in 1978 al de Discussienota van Eerstelijnsoverleg Gezondheidszorg Almere, waarin mijn sollicitatiebrief is uitgewerkt.

Wij van de Haak hebben de kiem gevormd, de cultuur en de normen neergezet. Je kunt zeggen dat wij, de zelfstandig gevestigde huisartsen van de Haak, uit overtuiging iets niet gedaan hebben wat elders in Nederland normaal was. We zijn geen concern van huisartsen geworden, we hebben geen grotere praktijken nagestreefd door patiënten van elders aan te nemen. We bleven zeggen dat we wijkgericht wilden werken, samenwerken met andere disciplines en dat we in loondienst wilden. Daarom is in Almere gelukt wat in Lelystad mislukt is, hoewel in Almere de lokale politieke wind ook niet altijd meezat. Liberalen vonden namelijk dat alleen vrije ondernemers goede dokters konden zijn. Wij en Zorggroep dokters hebben laten zien dat dat onzin is. Dat klonk landelijk door.

Later kwamen er een paar vrijgevestigde huisartsen bij die aansloten bij de bijscholing, het regelwerk, de automatisering, de gezamenlijk apotheek in het ziekenhuis en de bemensing van de Spoedpost daar. Dat loondienst en ondernemerschap naast elkaar konden bestaan haalde de angel uit de discussie in de lokale politieke wereld.

Aan die organisatie hebben we begin jaren 80 het gebouw en de inventaris verkocht en we traden in dienst bij de Zorggroep. Mijn sollicitatiebrief was daarmee uitgevoerd.

Nico van Duijn, 21 september 2026

Oh ja, er moet nog een dokter komen Read More »

Euthanasie in Almere in jaren 80 ver vóór de euthanasiewet 2001

Daar was Almere een voorloper in, ver voordat de euthanasiewet er was. Die euthanasiewet in 2000 had een lange voorgeschiedenis, zoals de zaak van de huisarts Postma en haar moeder (1971), de zaak van huisarts Sutorius en zijn patiënt Bongersma over hulp bij zelfdoding bij een klaar met het leven situatie (1998).

In de jaren 90 begon de discussie over euthanasie vorm te krijgen. Maar de jaren daarvoor was er al een euthanasiepraktijk ook in Almere, maar stiekem. In de jaren 80 wilden Alkmaar (officier van Justitie Jitta)  en Almere (huisartsen Spiers en van Duijn van gezondheidscentrum de Haak) al af van dat stiekeme, onafhankelijk van elkaar en rond dezelfde tijd. Daar kwam bij dat we alleen ervaring konden opdoen en delen als we in het openbaar konden melden zonder vervolgd te worden. Technisch was de uitvoering een rommeltje, al kwam daar snel verandering in door de publicaties van de Delftse anesthesioloog Admiraal (Verantwoorde euthanasie, een handleiding, 1980) en zijn eerste publieke en justitieel beoordeelde euthanasie (1983).

De Almeerse huisartsen hebben contact gezocht met de officier van justitie, de inspecteur volksgezondheid en de GGD-artsen. Afgesproken werd hoe te melden, welke volgorde en wie waarvoor verantwoordelijk was. De GGD-arts kwam voortaan na de euthanasie thuis langs, stelde onnatuurlijke dood vast, registreerde de verpakkingen van de medicatie en belde de officier van justitie die vervolgens het lijk vrijgaf. Later is daar meer uitvoerige verslaglegging bij gekomen. We waren gelukkig af van agenten in uniform die als eerste het lijk bekeken om daarna de GGD-arts te bellen. Ook konden we de bezwaren van de apothekers overwinnen en met hen procedures voor aflevering afspreken. Willem Spiers was hier de motor, van Duijn deed kennis verzameling rond euthanasie. Dat laatst kon door de ervaring van Britse huisartsen aan te boren en die van Admiraal.

Al gauw hadden de Almeerse huisartsen een schat aan ervaring, we hielpen elkaar en konden bij de invoering van de euthanasiewet bogen op 15 jaar ervaring waar de rest van Nederland nog moest beginnen. Het netwerk van SCEN-artsen (Steun en Consultatie, nodig bij wet) voor de onafhankelijke beoordeling was in Almere vlot opgezet en groot. In 1998 functioneerde van Duijn als palliatief consulent, maar lokaal was dat nauwelijks nodig. Wel zorgde dat voor wat werk in academische commissies en redacties. In het Zorgcentrum de Overloop in Haven heeft hij in 1998 een palliatief appartement helpen inrichten, op de bovenste verdieping, uitkijkend over het Gooimeer, met het raam op het Zuidwesten, de ondergaande zon. Zijn vrouw, Cora Janssen is daarvoor links en rechts gaan schooien voor een huiselijke inrichting van de kamer, inclusief een slaapbed voor familie en kunst aan de muur. De directie van de Overloop heeft zijn best gedaan bij de zorgverzekering die 100% bezetting betaalde, en niet 70%. Dat is de financier duidelijk gemaakt, alle dag sterven daar, dat konden we niet organiseren.

De wijkverpleegkundigen van Haven en de eigen huisarts verzorgden hier mensen in hun laatste dagen of weken als dat thuis niet meer lukte. Dit was dus een hospice functie ingebouwd in de reguliere zorg, waarvoor later een echt hospice kwam. Raar genoeg is de hospicefunctie in Nederland steeds een particulier initiatief met vrijwilligers – en wijkverpleging, naast een paar bedden in het verpleeghuis.

In 1996 is een casuïstisch artikel in Huisarts en Wetenschap gepubliceerd, “Hulpverlening voor wie dood wil, of hulp bij zelfdoding?”, twee jaar voor huisarts Sutorius voor de rechter moest verschijnen voor hetzelfde. Ondertussen was er een stortvloed aan publicaties en ingezonden brieven, in de vakpers en landelijk.

Die hulp bij zelfdoding van het artikel in 1996 was nog buiten de orde van melding, want het was geen euthanasie. De politie vertrouwde mijn leugentje niet, maar liet het erbij. Deze jaren ervaring kon ik inzetten toen ik gevraagd werd voor de Regionale Euthanasie Toetsingscommissie (2002-2009).

Almere liep ruim 10-15 jaar voor op Nederland op het gebied van euthanasie, toen elders in het land met het aannemen van de Euthanasiewet in 2000 de Nederlandse huisartsen nog ervaring moesten gaan opbouwen. En daar kunnen we trots op zijn.

2025

Euthanasie in Almere in jaren 80 ver vóór de euthanasiewet 2001 Read More »

Longontsteking is verhalen vertellen

Longontsteking of bronchitis. Wat is beter: gelijk antibiotica of eerst aanzien of dat nodig is? Natuurlijk is er een enkeling die bij eerste contact al zo ziek is dat ze direct naar het ziekenhuis zijn gestuurd (0,4%). Het blijkt bij de rest dat je met direct antibiotica geven slechter af bent: 0,9% uiteindelijk opname of overlijden. Even aanzien, controleren en zo nodig later antibiotica of zelfs helemaal geen antibiotica is het beste: 0,4% uitkomst met narigheid. Geneeskunde is eerst kiezen tussen vlot handelen of niet. Daarna weloverwogen het beloop aanzien als het beeld niet duidelijk is, wat vaak zo is. Het gaat om beslissen tussen alsnog wat doen of niets te doen. En actief controleren natuurlijk, met “Donderdag bellen hoe het gaat, ook als het goed gaat”. Of gewoon huisbezoek bij de zieke. De dokter heeft de regie, ook bij afwachten. Afwachten is actief handelen. Dokters die dit niet goed uitleggen

…

Longontsteking is verhalen vertellen Read More »

Stop met specialiseren

Specialisatie, het is erg hip. Huisartsen en specialisten, iedereen doet er driftig aan mee, omdat het zo leuk is iets goed te kunnen. Verzekeraars doen het ook, maar zij noemen het ‘kwaliteit’. Leuk of kwaliteit, het gaat een keertje mis met dat gespecialiseer. De hele dag ontzettend knap kunstknieën plaatsen haalt het dokteren uit het vak. Aan zo’n orthopedisch chirurg heb je in de dienst niet veel als je een mank kind verwijst. En wat moet je met een ontregelde diabeet als de Hodgkin-internist achterwacht heeft? Huisartsen zijn eveneens dit pad ingeslagen. Het aanvankelijke enthousiasme van huisartsen met een bijzondere vaardigheid is doodgeknuffeld door de NHG bureaucraten. Een vierjarige opleiding is er van gemaakt, kaderartsen heten zij; beleidsdokters dus. Dokteren in hun hobby wordt niet aangemoedigd. Ze implementeren beleid, geven bijscholing en schrijven nieuwe protocollen. Notulen en powerpoints, meer is het niet.
Laten we maar aannemen dat

…

Stop met specialiseren Read More »

Euthanasie bij dementie

Euthanasie bij dementie kan, maar is precisiewerk. Het gaat om het goede moment, goede documentatie en om regie, van patiënt en dokter. Er is meer dan zorgvuldigheidseisen. Er is ook goed dokteren. Het ziet er naar uit dat men in de casus beschreven in Medisch Contact van 19 januari het goede moment heeft laten passeren en onvoldoende de regie heeft genomen. De patiënt was duidelijk in haar jarenlang goed gedocumenteerde wens die geleidelijk aan verschoof van ‘Als dit, dan…’ naar ‘Ik wil nu’. Wanneer dit precies omkiepte is niet duidelijk. Maar daar kan de dokter naar vragen. Dat is vermoedelijk niet gedaan door

…

Euthanasie bij dementie Read More »

Mijn broer is huisarts en die zegt….

De lokale gepensioneerde huisartsen spreken elkaar regelmatig. We praten nogal eigenwijs, want we hebben overal verstand van. We noemen ons de huisartsensociëteit. Verder is het erg gepensioneerd. Een excursie naar het Waterschap, tuin opknappen van het zorgcentrum, dat soort dingen. Ik vroeg laatst “Wat doen jullie nu als een vriend veel te laat is opgenomen met (akelige diagnose)? Je hebt de pest in, je denkt het beter te weten. Die dokter had toch direct …” Vele verhalen rolden over tafel. We tobben er allemaal mee. Het is lastig. Een oude huisarts heeft veel oneffenheden van andere dokters gezien, zelf al veel inschattingsproblemen gehad. We zien precies waar het mis gaat. Protocollen helpen niet volgens de oude rotten, want het gaat juist mis voorbij de protocollen. Je bemoeien met de aanpak? Dat kan, maar

…

Mijn broer is huisarts en die zegt…. Read More »

Diagnose gemist, 50 jaar lang

Man hypochondert 7 dagen per week van 10.00-23.50 uur. Vele telefoontjes, allemaal spoed, vele huisbezoeken. Maar niet ´s nachts, want dokters moeten ook kunnen slapen, vond deze vriendelijke man. Dan krijgt hij maagkanker. Dat hadden we eerst niet zo door, want die berichten over bloed spugen, klam zweet en bewusteloos neerstorten waren we van hem gewend. Toen de diagnose maagkanker eenmaal vastgesteld was zei hij opgelucht “Zie je wel, al die dokters hebben vijftig jaar lang ongelijk gehad. Ik heb gewoon kanker”. Hij stopte met dokters bellen en ging tevreden in zijn bed liggen. Weg was de ziekteangst. Hij is genoeglijk dood gegaan, een steun voor zijn droevige familie.

Diagnose gemist, 50 jaar lang Read More »

Baby’s zijn lelijk

Mijn vrouw vindt alle baby’s mooi. Als er eentje in de omgeving geboren is schiet ze voortdurend babywinkels in, op zoek naar babyslofjes en rompertjes. Want iets moois moet mooi aangekleed worden. Ze smelt al bij de gedachte. Nog vele jaren na de  borstvoeding voor de eigen kinderen schoot de borstvoeding toe als ze zo’n verse baby van een ander vast mocht houden.  Ik vind baby’s helemaal niet mooi, meestal. Dat is ook logisch als je een beetje zicht op de anatomie hebt. Bevallen is noodzakelijkerwijs een gewelddadige bezigheid. Het wurm komt er knap verfrommeld uit, en de moeder moet je nogal eens fatsoeneren met wat hechtingen. Het zou niks voor mij zijn. Zwanger zijn lijkt me wel leuk, maar aan het eind, nee…
Ooit deed ik twee kraambezoeken achter elkaar. De ene was een lelijk frommeltje, de ander

…

Baby’s zijn lelijk Read More »