Maand: mei 2012

Sporten en pijn

Ambitieuze sporters lijden pijn als ze tot aan de grenzen van hun kunnen gaan. De hardloper die nog sneller wil lopen, de fietser die een nog langere berg op wil. Het blijkt dat competitieve sporters geen hogere pijndrempel hebben, maar wel een hogere pijntolerantie. Ander onderzoek laat zien dat het sportieve doel – sneller lopen, steiler fietsen – belangrijker wordt als het pijn doet.  Waarschijnlijk speelt nog iets mee: weten waarom het pijn doet maakt dat sportpijn beter te verdragen  is. Dit geldt helemaal als een gewaardeerde sportfysiotherapeut de pijn omstandig verklaart, met tendinitis, overtraind en hamstrings. Dit is de pastorale kant van dat vak, de fysiotherapeut als priester. Heel anders is het gesteld met chronisch pijnpatiënten.

Geheugen

Vandaag moest ik een raadsvergadering voorzitten en dacht onze gast de accountant een hand te geven. Het was de ambtenaar van financiën op de plek waar vorig jaar de accountant zat. De accountant zat nu aan de andere kant van de tafel. Dat is prosophypognosie, het slecht herkennen van gezichten. Toen hij wat zei herkende ik hem. Voor stemmen heb ik wel een geheugen. Een geheel beschadigd geheugen voor gezichten heeft Oliver Sacks beschreven in ‘The man who mistook his wife for a hat’, prosopagnosie, meestal na een blessure van het brein. Een van onze praktijkassistenten heeft hypergnosie. Die weet alles. Ik vraag dan

Onverklaarde klachten

Dokters zijn elke dag druk met het verklaren van klachten. Dat veel klachten vanzelf over gaan, dat weten mensen heus wel. Of ze gaan niet over, maar horen ze er een beetje bij. “Och, dat heeft iedereen wel eens, zo’n pijn”, wordt dan gezegd. Of “Je loopt het eruit, die pijn. Het slijt”. Maar dan nog willen mensen graag een verklaring, een oorzaak voor de klachten. Want als je weet dat het ergens van komt, dan kun je het accepteren en er misschien kan er wel wat aan gedaan worden. Lastiger is het voor ons als mensen een verborgen agenda hebben.

Afscheid

Dit is de laatste column in deze krant de Almare die ophoudt te bestaan. Over afscheid dus,  groot afscheid en klein afscheid. Afscheid na een gesprek, onderhandeling of aanraking. Elke dag neem ik 35 keer per dag afscheid van mensen. Tweejarigen geef je geen hand. Daar zwaai je naar met “Dag, lieverd!”. Vierjarigen geven jou de verkeerde hand als ze rechts hun knuffel vasthouden. “Doe maar de andere hand”, zeg ik pedagogisch. Dat moet je weer niet bij een zesjarige doen, want dat vat moeder op als een verwijt, aan haar opvoedkunde. Bij 12-jarigen negeer ik de ouder. Dan krijgt de jongeman de volle aandacht. Want een 12-jarige is een groot mens; wankel, maar groot. De 14-jarigen moet je intensief spreken en afscheid nemen met “Sterkte de komende jaren” Want die zie je pas weer terug als ze misschien een kind hebben, of al schulden.