september 2026

Almeerse zorgcentra en ouderenzorg uniek in jaren 80

Zorgcentra als de Overloop (`1984), de Kiekendief (1987) en de andere drie, samen met verpleeghuis Polderburen vormden die een Almeers succes. De huisartsen zorgden voor de verzorgingshuizen, samen met de wijkverpleging. De verpleeghuisarts zorgde voor het verpleeghuis. Tijdelijk iemand opnemen in de Overloop werd geregeld, voor een weekend bijvoorbeeld als de wijkverpleging dat weekend niet voor elkaar kreeg. Die verpleeghuisarts zorgde dat overal de hekken van verpleegbedden verdwenen bij verwarde patiënten en het vastbinden verbood hij. Verwarde patiënten klauterden namelijk over die hekken en braken van alles. De oplossing was het bed laag te zetten, zonder hek, met een matras er naast, zodat die verwarden zachtjes vielen. Geen botbreuken meer. Dit was landelijk nieuws.

Dit stelsel van zorgcentra met aanleunwoningen, lichte zorg en zware zorg in één gebouw, dat moest in de jaren 80 landelijk bevochten worden. Landelijk was er namelijk nogal wat conservatisme aan de financiële kant, want de financiering van wonen, verzorgingshuis en verpleeghuis moest in elkaar geschoven worden wat tot dan toe drie gescheiden circuits waren. Het is gelukt, de eerste integrale zorgcentra van aanleunwoning tot en met dementiebedden onder één dak. Het personeel, huisartsen en wijkverpleging hadden dezelfde werkgever waardoor er geen domeinstrijd was. Nu kon de zorg de verslechterende patiënt volgen, zonder dat de patiënt een paar keer moest verhuizen. We hebben nooit echtparen uit elkaar hoeven halen. Want met alle zorgniveau’s in huis kun je in de ene kamer de ernstig zorgbehoeftige plaatsen en in de aanleunwoning of zelfs in de kamer ernaast de partner met matig zorgbehoefte. Zorg volgt patiënt, niet andersom.

Bij dementie waren dag- of nachtopnames mogelijk als de partner uitgeput raakte. Die financieringscode bestond niet, maar het is wel gedaan. Dan werd het aantal dagen geleidelijk aan uitgebreid tot volledige opname nodig was. Dan was er geen strijd bij die definitieve opname, want het ging allemaal geleidelijk.

We hebben zelfs een hospicebed in de Overloop gehad, waar eerst de wijkverpleging voor zorgde die diezelfde patiënt ook thuis al verzorgd had, samen met de eigen huisarts. Financieel was dat weer lastig, want zonder 100% bezetting draaide de boel financieel negatief. En een sterfbed krijg je nooit 100% bezet. De Overloop directie kreeg het voor elkaar, 100% financiering van dat ene bed bij 70% bezetting.

De Overloop hoorde bij het dorp. Zo kon de kleindochter op de Meergronden in haar schoolpauze even op de thee bij oma in de Overloop; 100 meter lopen. Uniek in Nederland en wij waren er trots op.

Nico van Duijn, 21 september 2026

Almeerse zorgcentra en ouderenzorg uniek in jaren 80 Read More »

Flevoziekenhuis, hoe dat er kwam

Een ziekenhuis, dat waren de stedenbouwers van de RIJP een beetje vergeten. Toevallig zat de regering omhoog met te veel ziekenhuisbedden in Amsterdam. Het Burgerziekenhuis werd daarom in 1983 eenvoudigweg verplaatst naar Almere, met vrijwel alle personeelsleden. Dat waren eerst poliklinieken in de Passage. Spraakmakend was die aparte dermatoloog die patiënten genas met lachtherapie, in een oranje jurk. In 1991 opende het huidige Flevoziekenhuis de deuren, doelbewust midden in de stad en niet aan de stadsrand, net als het OLVG en het Groningse ziekenhuis midden in de stad staan.

De wethouder van toen, André Tierie heeft nog geprobeerd alle specialisten in loondienst te krijgen. Dat is maar deels gelukt. Vooral de cardiologen, die met het toenmalige tarievenstelsel wel heel erg veel verdienden, waren niet voor dienstverband te porren. Ook het eigen ziekenhuis had een dorps karakter. Huisartsen en specialisten kenden elkaar goed, wat prettig werken was bij wachttijden als de huisarts toch iets eerder wilde insturen. Zo kon het gebeuren dat ik soms iemand op kon nemen terwijl daar geen goede medische reden voor was, maar wel een sociale. Andersom kon de chirurg de huisarts bellen dat hij iemand vrijdagmiddag wilde ontslaan uit het ziekenhuis om een bed vrij te maken. Dat was hoogst onpraktisch, want organiseer dan maar eens wijkverpleging in het weekend. Toch regelden we dat dan en gingen we, dienst of niet, ’s avonds en zaterdag even thuis langs. Je deed wat voor elkaar, want dat ziekenhuis was ook een beetje van ons.

Nico van Duijn, 21 september 2026

Flevoziekenhuis, hoe dat er kwam Read More »

Oh ja, er moet nog een dokter komen

Hoe de Almeerse zorg is opgebouwd vanaf 1976

In 1974 las ik in de krant over die nieuwe stad, Almere. Daar wilde ik huisarts worden en schreef een sollicitatiebrief. Alles van de grond af aan opzetten, geen last van wat er al was, daar had ik zin in. Dit betekende wel dat ik alles moest kunnen, want er was niks in de polder, geen ziekenhuis, geen collega’s, apotheek of laboratorium. Ik heb dus extra bevallingen gedaan tijdens de opleiding, en ben na mijn huisartsenjaar doelbewust gaan werken in een ziekenhuis op de afdeling interne met hartbewaking, allemaal om ook ernstige zaken goed aan te kunnen. Zo’n grondige voorbereiding is één keer geruststellend geweest toen we lang afgesloten waren van de bewoonde wereld door vorst en sneeuw, in winter ’78-’79. Niemand kon het dorp in of uit. De Gooimeerdijk was onbegaanbaar door sneeuwval en een andere weg naar de Hollandse Brug was er niet. Ik heb ‘em wel geknepen, maar gelukkig was er niemand hoogzwanger en niemand kreeg een hartinfarct.

In oktober 1976 werd ik gevraagd me te vestigen, en een beetje vlug graag, per 1 december. Ze waren eigenlijk vergeten dat er ook een dokter nodig was in Almere. Ik heb mijn baan opgezegd als arts-assistent interne, een bloeddrukmeter gekocht en ben gaan kijken daar. Mijn sollicitatiebrief was meer een uitvoerige beleidsnota over het opzetten van een gezondheidscentrum, dat je naast individuele zorg ook een verantwoordelijk was voor een gezonde bevolking, voor de wijk. Dienstverband hoorde daarbij, vond ik, want zorg leveren moest losgekoppeld zijn van geld verdienen. Het was een nogal modern standpunt in een wereld waar vrijwel alle dokters vrije ondernemers waren in solopraktijken en wars van bemoeienis. Dienstverband was dokters een gruwel, want dat zou de autonomie van de dokter belemmeren.

Zogenaamd vrijgevestigd

Dat dienstverband kreeg ik jammer genoeg niet, want er was net een financieel debacle in Lelystad geweest met een gezondheidscentrum en de GGD in één gebouw. Er was ruzie geweest met de Lelystadse huisartsen over geld, tot schade van de overheid. ‘Zoek het lekker zelf uit en vooral geen steun aan dokters’, was de teneur geworden in de adviesraad. De Lelystadse ZIJP-bestuurder Groot Koerkamp en ambtenaar Jan de Vries waren het daar niet mee eens, dus die bedachten een list. Ik moest me zelfstandig vestigen, maar werd ook aangesteld als lijkschouwer voor Zuidelijk Flevoland, voor 3000 gulden per maand, dalend naarmate ik meer patiënten kreeg. Dan konden die kosten verstopt worden in de GGD-begroting en konden ze me toch op weg helpen.

Dat opzetten van een praktijk, verhuizen, huis inrichten, praktijkspullen kopen, afspraken maken, bankzaken, ik moest het allemaal regelen in die twee maanden, naast mijn 80-urige werkweek in het ziekenhuis. Bij dat ziekenhuiswerk kon het gebeuren dat je overdag werkte, een avond- en nachtdienst had en zonder veel slaap weer een dagdienst. Dus scheurde ik ’s avonds en in het weekend heen en weer tussen het ziekenhuis Leidschendam en Almere. De eerste decemberweek in Almere zakte ik door mijn hoeven, ziek, uitgeput. Ik heb dagen geslapen. Het verhaal gaat dat ik die paar dagen alleen uit bed kwam voor mensen die nog zieker waren dan ik. Dat was één keer, een ziek kind.

Gezondheidscentrum de Haak

In december 1976 ben ik ingehuisd in de Haak, in de onderzoekskamer van ambulancebroeder Cees Marcusse. Dat noodgebouw stond waar nu de Overloop staat. In het begin was Cees wat wantrouwend tegenover zo’n 27-jarige langharige snuiter met een gebreid tasje, nota bene in een oude Renault-4. Tot dan regelde hij namelijk alle zorg, in de hele polder van 40.000 hectare. Van blaasontsteking tot gebroken been en hartinfarct, hij zorgde dat het goed kwam. Wat ik daaraan toe kon voegen was hem een raadsel. Maar al vlot konden we het uitstekend met elkaar vinden.  

Mijn bereikbaarheid, daar had ik niet zo over nagedacht. Daarom bood buurvrouw Sieske aan om op de telefoon te passen, via mijn antwoordapparaat en me te piepen op de semafoon, zo’n bak van 5 kilo. Dan zocht ik gauw een telefoon op om haar te bellen.

Veel mensen waren er nog niet, eerst die honderd gezinnen op de Schoolwerf en Middenhof Wel waren er veel bouwvakkers overdag en die vielen wel eens van de steiger. Maar daar ging Cees over, niet ik, zo maakte hij me duidelijk. Op straat was voor hem, in huis voor mij.

De Haak heette de Haak, omdat stedenbouwkundigen alles van bovenaf zien, op hun tekeningen. Het noodgebouw had aldus bezien een haakvorm. Daarna zijn we verhuisd naar het houten noodgebouw van de politie op de Marken. Op die plek woon ik nu, de Zuidmark. We namen de naam ‘Haak’ mee, ook toen we het definitieve gezondheidscentrum betrokken in 1981. Ik heb gewaarschuwd dat we de naam de Haak meenamen naar de Schoolstraat en dat ze dus die straatnaam Haak moesten laten vervallen. Dat zou verwarring geven. Dat is niet gebeurd, de verwarring is er nog. Het adres van gebouw de Hulk is dus de Haak, het adres van gebouw de Haak is Schoolstraat 32.

Vanzelf ging dat niet

Het was een periode van talloze vergaderingen, overleggen en commissies, want van de vele gretige ziekenfondsen wilde ik er maar één, de relaties met ziekenhuizen in ‘t Gooi opgebouwd, laboratorium diensten geregeld, de apotheker vond zijn plek, het Flevolandse RIAGG (de GGZ-organisatie) moest opgericht, de wijkverpleging moest de ruimte krijgen en het multidisciplinaire van zo’n gezondheidscentrum leidde ook tot talrijke overleggen. We regelden talloze sollicitatiegesprekken, bijscholing, financiën, verzekeringen, instrumentarium, en bouwden de relaties met specialisten uit. Veel voorbeeld was er niet, want we waren het derde gezondheidscentrum van heel Nederland.

Op straat werd ik nogal eens aangesproken met doktersvragen, spreekuur op straat eigenlijk, in het begin vaker dan in de spreekkamer. De medisch-technische zaken, daar wist ik wel weg mee. Maar wat je met een behoorlijk ziek kind moest of met rode vlekjes, ik had geen idee. Voor vlekjes belde ik mijn moeder (zes kinderen gehad). Voor de rest belde ik Gerda de kinderarts in Naarden, desnoods ‘s nachts. Ook de ervaren huisartsen van Muiden en Muiderberg waren mijn vraagbaak.    

De Haak werd een echt centrum

De bouw van het definitieve gezondheidscentrum de Haak aan de Schoolstraat in 1981 is vooral het werk van Willem Spiers geweest, de tweede huisarts sinds 1977. Zijn komst gaf lucht, want in je eentje altijd dienst, dat was pittig. Spiers was praktischer dan ik, hij was sterk in regelen. Op één punt waren we niet zo handig. Onervaren als we waren hadden we in 1982 een hypotheek op het nieuwe gebouw afgesloten met 13% rente, voor 10 jaar. Het was de oliecrisistijd en niemand durfde ons te adviseren.

Spiers en ik waren een goed duo. Ik de inhoud, hij de organisatie. Ik leerde van hem, hij van mij. Hij deed graag bevallingen, maar ik vond dat maar enge geneeskunde en was blij toen er een verloskundige kwam. We deden bevallingen thuis, waarvan die ene stortbevalling in de huiskamer me bijbleef. Die mensen hadden een hoogpolig wit tapijt, tot dan tenminste. In het ziekenhuis in Naarden deden we ook bevallingen, op de zolder van dat ziekenhuisje. Dan zag je me weghollen bij het spreekuur, plankgas in die Renault-4. Mijn record was 16 minuten, van spreekkamer tot die zolder in Naarden. Veel kinderen, nu veertigers, hebben daarom in hun paspoort ‘Geboorteplaats Naarden’ staan.

Zorggroep Almere

Eerst heette dat SMGA, toen EVA en nu Zorggroep, de organisatie die na en naast de Haak hetzelfde deed waar wij mee begonnen waren. Ze bouwden uiteindelijk 20 gezondheidscentra, 5 zorgcentra en een verpleeghuis. De basis was door de Haak gelegd, met in 1978 al de Discussienota van Eerstelijnsoverleg Gezondheidszorg Almere, waarin mijn sollicitatiebrief is uitgewerkt.

Wij van de Haak hebben de kiem gevormd, de cultuur en de normen neergezet. Je kunt zeggen dat wij, de zelfstandig gevestigde huisartsen van de Haak, uit overtuiging iets niet gedaan hebben wat elders in Nederland normaal was. We zijn geen concern van huisartsen geworden, we hebben geen grotere praktijken nagestreefd door patiënten van elders aan te nemen. We bleven zeggen dat we wijkgericht wilden werken, samenwerken met andere disciplines en dat we in loondienst wilden. Daarom is in Almere gelukt wat in Lelystad mislukt is, hoewel in Almere de lokale politieke wind ook niet altijd meezat. Liberalen vonden namelijk dat alleen vrije ondernemers goede dokters konden zijn. Wij en Zorggroep dokters hebben laten zien dat dat onzin is. Dat klonk landelijk door.

Later kwamen er een paar vrijgevestigde huisartsen bij die aansloten bij de bijscholing, het regelwerk, de automatisering, de gezamenlijk apotheek in het ziekenhuis en de bemensing van de Spoedpost daar. Dat loondienst en ondernemerschap naast elkaar konden bestaan haalde de angel uit de discussie in de lokale politieke wereld.

Aan die organisatie hebben we begin jaren 80 het gebouw en de inventaris verkocht en we traden in dienst bij de Zorggroep. Mijn sollicitatiebrief was daarmee uitgevoerd.

Nico van Duijn, 21 september 2026

Oh ja, er moet nog een dokter komen Read More »