Koning Midas van Phrygië had een sater gered. Daarvoor kreeg hij een beloning van de manager van de saters, wijngod Dionysos. Alles wat hij aanraakte veranderde in goud. Dat leek een aantrekkelijk cadeau. Net zo dachten sommige politici dat marktwerking met concurrentie en keuzevrijheid in de thuiszorg fantastisch zou werken. Meer winst en betere zorg zou het resultaat zijn. Veel winst klopte. De tarieven daalden en een fatsoenlijk dienstverband werd onzekere armoe voor ZZP-ers. Maar de kwaliteit van de zorg werd vaak slechter. Zelf kiezen en zo concurreren hielp niet, want mensen hadden geen idee wat kwaliteit was. Huisartsen wel. Regelmatig was de zorg slechter, bij kleine beunhaasjes met een verpleegkundig diploma. Alleen maar uurtjes harken, en je zwartbetaalde neef bij dat sterfbed zetten. Niemand controleerde dat. Want de financier, de gemeente nu, kan onmogelijk de kwaliteit controleren van honderden zorgaanbieders. Koning Midas kwam er ook achter dat zijn kwaliteit van leven beroerd werd. Want zijn voedsel en zijn kind veranderden ook in goud. Hoe dan wel? Neem het goede van beide, van keuzevrijheid en van kwaliteits­eisen. Het goede

van keuzevrijheid is dat je je eigen wijkverpleeg­kundige kunt kiezen als het niet botert. Jammer genoeg staat in de wet 'andere instelling'. Dat is logisch voor wetschrijvers, want contracten sluit je met instellingen. Maar het is een denkfoutje. Mensen hoeven geen andere zorginstelling. Ze willen hun eigen wijkzuster kunnen uitkiezen. Regel dat. Het is een kleine moeite. Dan de kwaliteit van zorg. Beperk het aantal zorgaanbieders sterk. Een handvol is genoeg. Die kun je wel controleren. Ook de entree van nieuwe zorgaanbieders die het beter doen kun je regelen. Hoe, dat is een verhaal apart, maar het is niet moeilijk. 

Opgelost, lijkt me. Want zorg is persoonlijk en moet controleerbaar goed zijn. Maak het dan ook persoonlijk en goed. Koning Midas ontdekte eveneens zijn denkfout. Hij gaf zijn cadeautje terug. Hij werd minder rijk, maar kon weer eten en zijn kind knuffelen. Meer heeft een mens niet nodig.