Hij had pijn in zijn been. Volgens zijn collega’s was het een hernia, volgens zijn dokter een ischias. Hem maakte het niet uit, als het maar beter werd, maar dat gebeurde niet. ’s Morgens bij het opstaan had hij weinig last. Maar in de loop van de dag nam de beenpijn toe, zeker als de dag wat langer duurde. Hij kon minder werken dan hij wilde.

Veel autorijden hoorde bij zijn werk. Hoe meer uren in de auto, hoe meer pijn in zijn been. Als commerciële man met half Nederland als rayon betekende minder hard werken voor hem ook minder geld verdienen. Want hij werkte voor een deel voor een bonusvergoeding. Hoe meer omzet, hoe meer hij verdiende. Doordat hij minder lange dagen kon maken scheelde hem dat honderden euro’s in de maand.

Een paar weken in de ziekte­wet kon hij zich niet permitteren, want hij was alleen verzekerd voor zijn basisloon, niet voor zijn bonus inkomsten. Commercieel was hij hard voor zich zelf, fysiek ook.

Hij ging nog meer sporten dan hij al deed. Dat was goed, zei de fysio­therapeut, zoals fysiotherapeuten altijd zeggen als ze het ook niet meer weten. Nergens last van met sporten, maar een vermindering van de beenpijn bleef uit.

Hij heeft nog met zijn fysiotherapeut de auto bekeken, de stoel, de zit. Het was allemaal prima. De twee weken zomervakantie had hij tot zijn verbazing geen beenpijn, hoewel hij heel wat afklauterde in de bergen. Maar de week daarna was het weer hetzelfde liedje. Toen viel het kwartje: zijn porte­monnee. Zijn portemonnee droeg hij rechts, de beenpijn was rechts. De portemonnee drukte op de ischiaszenuw in zijn rechter bil, in die magere afgetrainde bil. De muntjes eruit en in een paar dagen was de pijn in zijn been verdwenen. Portemonnee pijn dus. En pijn aan zijn portemonnee door die verminderde omzet.