Op de Spoedpost heb ik veel vallers gezien, alle soorten, jong en oud, flinkerds en kermers. Ze hebben pijn aan pols, rug, heup  of enkel. “Heb ik wat gebroken?” willen ze weten. Kinderen van de basisschoolleeftijd zijn meestal flinkerds. Het is niet eenvoudig ze na te kijken, want ze laten pijn niet zo merken. Als je op de gebroken pols drukt – we hebben wat gemene trucjes daarvoor – dan zijn er kinderen die stoïcijns hun ogen iets toeknijpen, meer niet. Maar het kan anders. Er zitten volleerde toneelspelers onder de 8-jarigen. Die kermen heftig met hun zere pols die helemaal niet gebroken is, wat je ook aanraakt. Steevast zijn dat kinderen waarvan de ouders zeggen ‘Ze piept niet zomaar, hoor! Ze is erg flink’. Het gekke is dat ouders van de flinke kinderen nooit zeggen dat het kind flink is.

 

Hoe een kind een flinkerd wordt of een kermer, ik weet het niet. Is het aangeboren of afgekeken? Het zal wel beide zijn. In een familie van flinkerds kan zomaar een broertje opgroeien dat helemaal van slag is bij valpartijen, tot aan ambulancevervoer aan toe. Zijn zusje valt stoer uit een boom en hinkt naar huis met natte ogen zonder wat te zeggen. Blijkt ze een paar dagen later een botbreuk te hebben. Kinderen verschillen in de manier van pijn hebben, net als grote mensen. De kunst is het niet erger te maken, dat flinke en dat kermen. Het is niet goed van een flinkerd het onmogelijke te vragen. Het is ook niet goed de kermer te laten verdrinken in zijn zieligheid. Meestal krijgt de flinkerd complimenten over de flinkheid en de kermer knuffels omdat deze zo sneu is. Misschien moeten we het omdraaien: knuffels voor de flinkerds en complimenten voor de kermers. Bij twijfel doet u beide.