Hoe mensen over hun pijn vertellen verschilt enorm. Daarom is het handig pijn te meten. Dat is objectiever, preciezer. Het is handig als je wilt weten of het nu beter of slechter gaat. Daarom laten we dat wel eens opschrijven. Maar welke kant van pijn meet je dan? Denk aan de ernst van de pijn, de hinder door de pijn, of aan de consequenties. Hoe wordt je hier nu wijs uit?

Wel, door die drie kanten apart te vragen. Hoe erg is de pijn? Geef een cijfer tussen 0 en 10, waarbij 10 de ergst denkbare pijn is. Dit kunnen kinderen al vanaf 8 jaar. Zo’n cijfer verschilt per persoon, zou je zeggen. Maar dat valt wel mee, zo blijkt. Dan vraag je naar de hinder. Dat kan meevallen als je de pijn wel aankunt. Het kan ook erg tegenvallen als je morgen examen moet doen. In het begrip hinder zit beleving verborgen, maar ook de omstandigheden.

De consequenties van de pijn vormen een derde kant. Vreet deze niet zo hinderlijke pijn het laatste restje energie weg, omdat je nog veel andere dingen aan je hoofd hebt? Kun je wel autorijden met deze pijn, maar niet vergaderen? Kun je er wel mee wieden, maar geen beeldschermwerk doen?

Pijnmeten kan dus, tamelijk precies, van drie verschillende kanten, ondanks verschillen in de presentatie van pijn. Als het pijnmeetprobleem is opgelost, dan worden de verschillen in presentatie van pijn weer leuk in plaats van storend. U weet hoezeer mensen kunnen verschillen. Denk aan de aimabelen, de onderhandelaars, de verongelijkten, de anderenmoetenhetoplossen types, en natuurlijk de stoeren. Ga eens luisteren bij de balie van uw garage. Vervang ‘Mijn voorwiel trekt” eens door “Mijn been trekt”. U ziet dan mijn spreekuur. De diagnostiek is hetzelfde, objectief en met vakmanschap. De klachtenpresentatie is ook hetzelfde. Verschillen tussen mensen zijn overal hetzelfde, in mijn spreekkamer en in de garage. Mensen zijn gelijk in hun verschillen. De paradox van de week.