Kleindochter op de schaats op een App-filmpje, twee-en-een-half jaar. Een mooie leeftijd om met schaatsen te beginnen. Ik moest gelijk aan boterhammen met pindakaas denken, in haar rugzak, schaatsend naar de horizon. Ze leert continu. Haar wacht een propvolle agenda. Want schaatsen is maar één van de vele basisvaardigheden die ze met vallen en opstaan moet leren. Ze kan overigens goed vallen. Ze piept niet zo makkelijk. Plat op je gezicht vallen is meer een hinderlijke belemmering van een leuk avontuurtje. Veel tijd besteedt ze er niet aan. Eerst moet ze leren fietsen natuurlijk. De loopfiets beheerst ze al, later

maar zo’n kinderracefietsje achter vader en moeder, met een stang ertussen. Daarna los, 30 kilometer wegtrappen. Skiën als vierjarige denk ik, gauw op zwemles en dan leren zeilen. Na haar 8ste wil ze op dansen, viool spelen en schaken. Vanaf 12 jaar zal het wakeboarden worden, tennissen en een vechtsport. Vanaf 16 jaar kitesurfen, stijldansen, roeien, duiken, hardlopen, scooters repareren, klussen in huis en paardrijden. Tussendoor doet ze haar school, loopt verjaardagen af en veel beppen met vriendinnen. Over school gesproken, daar leer je lang niet alles. Lezen, dat zal ze daar wel leren. Maar een liedjestekst mooi vinden, dat leer je alleen thuis. En rekenen, ach, geen kunst met een rekenmachientje. Maar schatten, fouten zien, dat zal ze thuis moeten leren. Nu maar hopen dat haar ouders het arme schaap beschermen tegen haar leergierigheid. Geen naschoolse Italiaanse les, lijkt me, geen Chinees leren, geen schooltoneel. Mocht ze dat toch anders zien tegen die tijd, dan smeer ik boterhammen met pindakaas, voor in haar rugzakje. Voor als ze wil schaatsen naar de horizon, monter en rechtuit. Omdat ze wel ziet waar ze uitkomt.