Mijn vader is dood gegaan. We hebben geluk gehad. Wij sterven in de goede volgorde: hij eerst, ik later. Verder leven wilde hij niet meer. Toch lukte het sterven niet. Hij had namelijk breinziektes waaraan je niet zomaar dood gaat, zoals tobberigheid, angsten, Parkinson en dementie. Dat bedlegerige en rolstoelafhankelijke vond hij nog het makkelijkste te dragen. Maar dat zijn brein verkruimelde, dat vond hij vreselijk. Zijn denken was zijn werk, zijn lust en zijn leven. En dat verpulverde, bij leven. Gelukkig kwam er een longontsteking langs, de vriend van oude mensen.

Ik had gedacht dat ik het zonder verdriet kon hebben, omdat hij toe was aan sterven. Toch overspoelde het verdriet me. Dat vond ik nogal raar van mezelf. Zeker, het is gewoon dan verdrietig te zijn. En toch vond ik het verbazend. Mis ik hem? Nee, dat is het niet. Wil ik nog van alles met hem? Nee, alles is gedaan. Wil ik hem nog wat laten zien? Nee, want hij heeft alles al gezien en de rest bekijk ik zelf wel. Het verdriet was simpeler: het ontroerende besef dat we het samen goed hebben gehad. Daar moest ik om huilen. Het is goed geweest. Het is goed zo.