Sporters zien af, zo noemen ze dat: afzien. Afzien betekent voor een sporter dat je pijn hebt en toch doorgaat. Daar zijn ze trots op.  Zelf ben ik geen sporter van nature. Dat is erfelijk. Geen enkele van de 50 familieleden van mijn vaders kant doet aan sport.

Ze snappen niet dat je voor je lol heen en weer fietst als je een auto hebt staan. Fietsen doe je als de auto stuk is. En dan fiets je ergens naar toe, omdat je daar naar toe moet. Praktisch denkende mensen dus.

Toch ben ik gaan sporten, na 55 jaar. Voor de gezelligheid, want mijn vrouw vertelt steeds dat je met de fiets schitterende stukjes van Nederland ziet. Dat wilde ik ook wel eens zien. Want behalve praktisch zijn we ook nieuwsgierig volk. Ik moest dus ook afzien, want anders kom je nergens, zo vertelde ze me. De eerste weken deed sporten wat pijn in de spieren. En je moet enorm zweten van al die inspanning. En hijgen. Soms in de sportschool, soms op die fiets met meer versnellingen dan ik kan bedienen. Daarna ging het makkelijker, het deed geen pijn meer, het hijgen werd minder.

Afzien is dus pijn lijden als investering. Afzien is bedoeld om na een paar maanden zonder pijn en benauwdheid te genieten van het fietspad langs het spoor bij de Oostvaarders­plassen, van de Vecht en van de spechten bij Zeewolde. Die zie je niet vanuit de auto. Zo bezien is afzien op de fiets een wat omslachtige manier om later te genieten. Afzien op de Hollandse Brug tegen de wind in is bedoeld om koffie te kunnen drinken bij Ankeveen.

Eerst ploeteren, dan genieten. Een echte sporter word ik nooit. Die genieten van het ploeteren zelf. Ik ben meer een praktische sporter, een investeerder. Uiteindelijk gaat het om dat terrasje bij Ankeveen. En daar heb ik wel wat pijn voor over.