Angst is vaak een onlogisch idee dat als kauwgum vastplakt aan gebeurtenissen, ongemerkt. Je hoort bijvoorbeeld gestommel beneden, midden in de nacht. Wie bang is voor inbrekers denkt dan direct aan inbrekers. Een ander denkt bij gestommel ‘s nachts ‘Die stomme kat stoot vast weer iets om.

Morgen de rommel maar opruimen’, en valt weer in slaap. Die ‘kauwgum gedachten’ kun je afleren met wat heet cognitieve gedragstherapie, een soort psychotherapie. Hoe dit werkt wordt door psychologen uitgelegd met dit voorbeeld van de kat en de inbreker. Uitzoeken wanneer, welke angstige gedachte, waarom, bij welke gebeurtenissen, dat is de kunst. Met zo’n therapie kunnen angsten en ook getob, nachtmerries en storende gewoontes verminderd worden.

Onlangs hoorden we iets in huis hard op de grond vallen, ’s nachts om 3 uur. Een inbreker, dachten we direct. Moet je iets fatsoenlijks aantrekken voor een inbreker? Ja, vonden we allebei. Bij de trap naar beneden gedroeg ik me als een heer: vrouwen gaan voor. Mijn vrouw zag een kat wegschieten naar beneden. Het eerste wat ze dacht was ‘De kat van de inbreker. Welke idioot neemt nu zijn kat mee als hij gaat inbreken?’ Beneden hing de kat van de buren in de gordijnen. Die was door het badkamerraampje binnen gekomen en had het metalen zeepbakje op de grond laten kletteren. Nergens een inbreker te zien. Moeten we nu in psychotherapie, zo vroegen we ons af? We vonden van niet. We laten onze inbrekerangst liever intact; vinden we een veilig idee.