Dag Pa! Je bent een jaar geleden gestorven. Ik kom even een praatje maken, meer voor mezelf, want antwoord geef je niet meer. Gisteren hebben we je graf bezocht; niks bijzonders eigenlijk, een beetje dooie boel met stenen en plantjes.

We geloven geen van beide in een hiernamaals. Je bent er niet meer. Je bent echt weg. Maar we geloven beiden in herinneringen, in de gedachtewereld. Daar ben je wel, in de wereld van gedachten, meer de wereld van ideeënbeelden. Daar lopen levende en toekomstige denkmensen rond, en dode denkers, zoals jij. Tegenwoordig, jij hebt dat nooit goed gezien, is die wereld echt. Het is geen warme, menselijke en persoonlijke wereld, dat is waar. Maar dat vinden denkers niet zo erg. Op het internet besta je nog zoals je bestond: met ideeën, gedachten en geschreven werk. Typ maar in ‘p van duijn’ en je cytochemie publicaties duiken op. De P van Piet, maar ook van Pleun, mijn tweede naam, en de naam van mijn zoon, de naam van je neef, en de naam van jouw vader, mijn opa. Alles hangt samen. Jij maakt daar deel van uit, en ik, en de rest. Wat je dan presteert is niet meer zo belangrijk, over cytochromen publiceren of mensen helpen, het is hetzelfde. Maar de biologie kan niet zonder de mensenkant. De mensenkant kan niet zonder de samenlevingskant. DNA kleuren of wonden van mensen hechten, praten of schrijven, het is allemaal hetzelfde. Ideeën, er wat van vinden, er wat over zeggen, dat is eeuwig bestaan. Wees gerust, je was er, en je bent er.