Je stoot met je winkelwagentje in de supermarkt een stapel koekjes om. Het wordt een genante warboel. Schuldig om je heen kijken, stom van je, sorry zeggen, en opruimen. Er zijn mensen die ogenblikkelijk gaan trappen tegen het winkelwagentje. Een enkeling is hier extreem in.

Die vaart uit tegen net wie er toevallig vlak bij staat. Die krijgt de volle laag. Dat het toch een schande is, dat je wel een scène moet trappen, door dat rotkarretje. “En kijk me niet zo aan! Heb ik iets van je aan?” Voor je het weet is die bijstaander de schuldige, de veroorzaker van het hele ongeluk. In de spreekkamer zie je ze ook. “Je hebt je werk niet goed gedaan! Ik zeg toch al jaren dat er iets mis is, en nu blijkt maar weer dat ik gelijk heb”. Het gaat dan over een alternativo die Het eindelijk gevonden heeft en Het met bioresonantie eventjes zal genezen, maar niet heus.

Lastig is dat dit soort mensen inderdaad slechtere zorg krijgt dan anderen. Er valt moeilijk mee te werken. Steeds moet je voorzichtig om eventuele misverstanden heen, verwijten voorkomen. Ontspannen je werk doen, samen dus, dat gaat niet gemakkelijk met deze mensen. Dus krijgen ze krampachtige, afwerende hulpverlening. Laatst ben ik zelf uitgevaren, niet zo professioneel. Ik heb geroepen dat ik die onterechte verwijten niet pik, nogal heftig. De man keek raar op. Dit was hem nog nooit overkomen. Een winkelwagentje dat een grote mond terug gaf. Het luchtte me niet op. Beetje schuldgevoel, stom van me, wilde sorry zeggen. Maar ik heb dat niet gedaan. Ook winkelwagentjes hebben hun trots.