Kwaliteit kun je niet meten, maar wel zien, als je het vak kent. Bovendien, de gemiddelde kwaliteitsscore is niet interessant. Het gaat om die paar procent slechte dienstverleners. Dat is wat mensen irriteert. Daar vallen de brokken. Die wil je opsporen. Daar wat aan doen is ook nog makkelijker dan een ‘integrale kwaliteitsslag’. Kwaliteitssystemen, privacy waarborgen, vinkjes zetten en analyse kosten bakken met geld. Weggegooid geld. Handiger is met globale cijfers de 5% beroerdste opsporen. Dat heet screening. Dat is goedkoop. Denk aan screening op standaardgegevens als wachttijden, complicaties, veel klachten of hoge kosten. Met screening mis je een paar zwakke dienstverleners. Accepteer dat. Aan de ander kant

Niemand zegt dat hij discrimineert. Ik wel. Ik maak onderscheid tussen mensen. Ik zou niet weten hoe ik zonder kan. Daar zit ervaring achter, verhalen van anderen, cijfers en mijn vooroordelen. Komt kwaadaardig discrimineren veel voor? Niet dat ik weet. Een beetje onterecht discrimineren gebeurt heus wel, het onderscheid maken, zonder persoonlijk te worden. Je zit er wel eens naast. Erg is dat niet. Je mag een mening hebben, vooroordelen zelfs, over mensen. Discrimineren heet ook wel "Profileren". Dit is nodig in veel beroepen. Anders kunnen de autohandelaar, de dokter en de politieagent hun werk niet doen. Profileren is professioneel kansen schatten. Meer is het niet. Als ik mijn telefoontje even uitleen aan iemand die zijn moeder wil bellen, dan profileer ik natuurlijk ook. Een Roma-achtige jongedame

De drijfveren van een draufgänger, ze drijven langzaam weg. Het is geen droevig 'thoeftnietmeer', noch een opgelucht 'eindelijk'. Het is verbaasd in de spiegel kijken. Er is geen dringende drukte meer. Zou ik op de andere extreem gaan lijken? Op mensen die altijd al meedrijven op hun leven, desnoods op andermans vlotje? Mensen die nooit uitdagingen begretigen? Of op mensen die altijd al in balans zijn geweest, de bofkonten? Nou ja, ik ben de laatste 55 jaar een gedreven mens geweest. Maar die drive druppelt langzaam weg. Draagkracht is zelden een probleem geweest. Daarom vond iedereen dat ik hard werkte. Ik niet. Zeker, uitputting ken ik, zoals de laatste keer toen ik 24 uur geslapen heb, op de Intensive Care, met onschuldige borstpijn. Ook weer opgelost. Die drijfveren hadden te maken met wat je doet, dat ook goed doen, steeds beter eigenlijk. Eerst zelf, daarna het anderen uitleggen hoe dat moet. Draufgängers heb je in elk vak, in elk leven. Meubelmakerij, zorgen of belastingexpertise is het voor anderen. Voor mij was dat alles willen snappen, dokteren, les geven, schrijven en gemeenteraadswerk. Dat die drang wegdrijft komt niet door gepensioneerd zijn. Het is omgekeerd. Het komt ook niet

Marktwerking bij menselijk gedrag is een bekend thema. Economen snappen er niet zo veel van en schrijven daarom boeken vol. Politici hebben wel diep inzicht in de materie en roepen dat het fantastisch is, of vreselijk. Vermarkten van mensen zelf is verboden sinds het afschaffen van de slavernij in 1814, door koning Willem I. Vermensen van de markt is wat ons rest. Het is zelfs een oud gebruik. Fooien geven bijvoorbeeld gaat tegen de marktprincipes in. Je wilt je waardering laten merken en betaalt meer dan hoeft. Bovendien rond je €1,90 voor koffie af naar € 2. Foetsie is de verleiding van het sluwe prijsje. Ik ken een lokale bestuurder die bij aankoop van een auto fluisterend 'een zacht prijsje voor de wethouder' kreeg aangeboden. Hij heeft ogenblikkelijk € 100 meer betaald dan de vraagprijs, voor een hoger ethisch belang. De wereld van de autoverkoper stortte in elkaar. Zelf heb ik ooit direct mijn pinpas getrokken toen een IPad € 500 bleek te kosten. De man was van slag. 

Gif is pas gif als de dosis hoog genoeg is. Daarom is een liter water niet giftig, maar 20 liter in een keer wegdrinken wel. Daarom is 3 bier niet giftig, maar een kratje wel. Cyaankali is niet giftig als je een microgram inneemt, een gram wel. Er is rijst die arsenicum bevat. Dit is dodelijk als je in één keer 400 kg rijst opeet. Wist u dat vitamine D giftig is? Pas op met langdurige een grote dosis geven aan uw peutertje. Waar het eerst om gaat is of de stoffen uit kunstgras giftig kunnen zijn. Dat zijn ze. Het gaat om polycyclische aromatische koolwaterstof verbindingen (PAK). Maar gif is pas gif als de dosis hoog genoeg is. Daar zit de crux. Als het RIVM zegt

Het weekblad Elsevier heeft gemeentes vergeleken. Almere scoort slecht op de factor Rust & Ruimte’ en op ‘Harmonieus Leefklimaat’. Dit vond ik raar. Het blijkt dat ‘niet zo harmonieus’ te maken heeft met het gevoel dat er veel gekleurde mensen zijn, ergernis over de stinkende barbecue van de buren, en het aantal verkeersdoden. ‘Rust & Ruimte’ is net zo’n allegaartje: bevolkings­dichtheid, zeskamerwoningen, perceeloppervlak per woning, huisoppervlak en files. Daar wordt de beoordeling van bewoners over parkeermogelijkheden doorheen geroerd, niet de cijfers over aantal parkeerplaatsen. Op files doet Almere het natuurlijk slechter dan Dokkum. Die snap ik. Maar beleving van parkeerplaatsen optellen bij perceeloppervlak en bevolkingsdichtheid is een beetje zot. Ze zijn namelijk afhankelijk van elkaar. Bij ‘Harmonieus Leefklimaat’  zijn subjectieve en objectieve gegevens opgeteld en door 20 gedeeld. Subjectief is bijvoorbeeld het oordeel van contact met de buurt, gezelligheid en verantwoordelijk voelen voor leefbaarheid. Dat zegt vooral wat over je eigen mopper-quotiënt, niet over de buurt. Subjectief

Klassieke muziek is meestal van allang overleden componisten. Daar is Radio 4 gauw over uitgepraat. Ze hebben het dus over de diep gevoelde toets van de  Griekse pianist Doeterniettoe. U weet wel, dat genie van 15 jaar. Alles in dat wereldje is briljant, absolute top, tragisch grote hoogtes. Een paar kenners horen de verschillen tussen de uitvoeringen. Ik niet. Het is Bach en dart vind ik prachtig. Maar de 6000ste uitvoering klinkt niet anders dan de 6001ste. Oh nee, Radio 4 vindt de 6001ste altijd beter dan de rest. Raar is dat: altijd beter. En dan dat applaus, waarvoor je moet opstaan. Dat orkest doet verdorie zijn werk. Knap, zeker, maar ze moeten het niet overdrijven. Stel je voor dat ik – vroeger – een superbe stervensbegeleiding had afgesloten. De overleden patiënt ligt vredig op zijn sterfbed. Ik pak mijn koffer en dan

Economisch bezien zijn er twee soorten mensen: afdingers en vertrouwers. Ik ben een vertrouwer, een economisch weekdier zelfs. Ik vind elke marktkoopman, handelaar of winkelier zielig. Staan ze daar in de kou, of in een lege winkel. Dan ga ik wat kopen, want het is zo sneu. Ook belverkopers vind ik erg zielig, en krantenuitdelers op straat. Zo kwam ik aan een jaarabonnemenent op NRC-Next, en aan een donateurschap voor Iraniërs die in de gevangenis zitten. Die gevangenen vind ik niet zo zielig; veel te ver weg. Maar hun familieleden die op straat snikkende folders uitdelen wel. De afdingers vormen een ander mensensoort. Ik heb iemand gekend die zelfs bij een paar sokken van 5 €

Een beetje tegen mijn gewoonte in - vandaag is leuker dan gisteren - toch even over vroeger, over de geboorte van Almere, 40 jaar geleden op 1 december 1976. Van alles was een eerste. Ik de eerste dokter met een praktijk van 40.000 hectare, heel Zuidelijk Flevoland. Met de eerste ambulance was dat de hele zorg. De eerste baby was de mooiste. Maar er waren meer eerste gebeurtenissen. De eerst overledene en de eerste plant. De eerste boom die de strakke lijn van de horizon doorbrak en de eerste keer dat de slagboom op de dijk aan gort gereden werd. De eerste vos en de eerste moord. De eerste echtelijke ruzie en het eerste feest. De eerste buitenechtelijke relatie en de eerste strenge winter dat we het dorp niet uit konden. De eerste democratie, onze zelf benoemde Raad van Overleg, en het eerste milieuprobleem. Allemaal uniek toen. Achteraf was het unieke wat anders.

Het is een spelletje, dat schrijven op lengte. Ik ken nog iemand die bij het verzoek 'Doe maar 300 woorden' exact 300 woorden aflevert. Het dient geen doel, alleen de eigen lol. Hier een oefening om dezelfde boodschap te schrijven in 70 woorden, 35 woorden, 70 letters en 35 letters. Van de laatst zelfs drie varianten. Gewoon, omdat ik het leuk vind. 

Sommige mensen hebben zo'n gezicht waar 'tja' op geschreven staat. Dat kan van alles betekenen. Dat kan zijn 'tja, ik zeg maar niks, anders moet ik de notulen maken'. Dat zijn de duikers. Ze zitten in die commissie omdat ze er niet omheen kunnen. De sluweriken zitten erin om niet in een beroerdere commissie te moeten zitten.
'Tja' kan ook betekenen dat iemand even moet nadenken. Daar heb je wat aan. En dan maar hopen dat er niet een 'Doe ik wel even' type in de commissie zit. Want dan glijdt de verstandige tja-overweging onuitgesproken van tafel. Zonde.  Een tja-gezicht kan soms

Communicatiekunde is een soort schimmel in organisaties. Je treft communicatie beoefenaren werkelijk overal aan, als complete stafafdeling, op elke afdeling, bij elk project en naast elke directeur. Geen projectbegroting zonder de regel "communicatie > 30.000 €". Communicatie is overigens een wat leugenachtig woord. Meestal is het voorlichting; zenden dus, één kant uit. Communicatie zou heen en weer moeten zijn. Maar daar schrikken veel communicatie medewerkers van. Daarom heet een klant die er even over wil praten een klager die een klacht heeft. En dat is een andere afdeling, de klachtencommissie. Erg ingewikkeld is het niet, dat vertellen aan je klanten wat je doet. Veel vaklui kunnen zo'n foldertekst wel schrijven, of voor Omroep Flevoland vertellen wat ze doen. Ik geef toe, er zijn er ook die een beetje redactie goed kunnen gebruiken. Daar is dan de afdeling communicatie voor. Goed, dan stellen we één redacteur aan. Dat is bovendien handig voor bestuurders, want die kunnen zich dan achter de afdeling communicatie verschuilen, bij incidenten. Het gekke is

Wist u dat onze grondwet uit 1848 het liberté, egalité, fraternité van de revolutionaire Fransen is overgenomen? Maar net ietsje anders. In onze grondwet staat niet vrijheid maar gelijkheid bovenaan. Nederlanders zijn zo ontzettend gelijk dat iedereen tenminste evenveel wil hebben als een ander, verdiend of niet. Vrijheid is vertaald als vrijheid van meningsuiting over alles. Dat is te merken. Een grote mond tegen autoriteiten en deskundigen vinden velen normaal. Want Nederlanders zijn allen professor in de alleskunde. Kap één boom in een wijkje en tientallen bomendeskundigen komen aangestormd; allemaal cum laude afgestudeerd aan de Google University. Broederschap was lastiger voor die Grondwetscommissie in 1848. Wettelijk verplichten leek wat overdreven.

Kleindochter op de schaats op een App-filmpje, twee-en-een-half jaar. Een mooie leeftijd om met schaatsen te beginnen. Ik moest gelijk aan boterhammen met pindakaas denken, in haar rugzak, schaatsend naar de horizon. Ze leert continu. Haar wacht een propvolle agenda. Want schaatsen is maar één van de vele basisvaardigheden die ze met vallen en opstaan moet leren. Ze kan overigens goed vallen. Ze piept niet zo makkelijk. Plat op je gezicht vallen is meer een hinderlijke belemmering van een leuk avontuurtje. Veel tijd besteedt ze er niet aan. Eerst moet ze leren fietsen natuurlijk. De loopfiets beheerst ze al, later

Zwarte Piet wordt niet gediscrimineerd. Daarom is het geen maatschappelijk probleem. Zwarte Piet speelt vrolijk  allerlei rollen, net waar hij zin in heeft, in de geest van de tijd. Als het maar een kinderfeestje is. Het is een symbooldiscussie, over wat anderen dan de kinderen, Piet en Sinterklaas er in zien. De kinderen zijn nu het doelwit van een klein groepje uit Amsterdam Zuid-Oost die na 50 jaar immigratie uit Suriname en de Antillen plotseling een slavernij monument wilden, over de geschiedenis van de 17e en 18e eeuw. Alsof dat iets te maken heeft met discriminatie nu. Het is symbolen zoeken. Het gaat niet over discrimineren, want dan moet je het over feitelijke discriminatie hebben. Dan gaat het over een feitelijk maatschappelijk probleem waar je wel boos over kunt zijn op de plek waar dat gebeurt; bij sollicitaties bijvoorbeeld. Gekrakeel dus

Pas op met de komma. Notarissen weten dat. "Ik vermaak al mijn bezittingen die onbelast zijn aan neef Karel ...".  Zonder komma erft Karel alleen de oude Mercedes. Met een komma ook het miljoenenbedrijf en het kasteel. De anekdote is dat de nazi’s een foute bijbeltekst gebruikten om de jodenmoord te rechtvaardigen, met een komma. "De joden, die de Here Jezus gedood hebben, .... De toorn (Gods) is over hen gekomen tot het einde". Zonder komma hoefden alleen de beulen gestraft te worden; met de komma alle joden.
De oude Grieken waren enthousiast over de uitvinding van leestekens. Want ze beitelden uit zuinigheid alle letters achter elkaar in het steen, zonder spaties. Dat is lastig lezen. Erg vervelend vonden ze dit niet, want ze lazen zelden. Hun lol was

Rechts heeft voorrang. Als dat onpraktisch is, dan laat je de ander voorgaan met een vriendelijke handzwaai. Dan heb je geen witte strepen en verkeersborden nodig. In Italië houdt niemand zich aan de verkeersregels. Ze dringen voor, ze wurmen zich door een file heen, of laten de ander even voorgaan. Heel vriendelijk lossen ze dat ter plekke op. Kan dat ook in Nederland, of hebben we teveel hufters? Dat is lastig. De wegen van de stad zijn nu volgeplakt met strepen en borden, om hufters af te remmen. Dat is een beetje raar. Want juist hufters houden zich niet aan strepen en borden. Voor gewone mensen zijn geen borden nodig. Laten we ons beperken tot vijf verkeersregels. Voorrang heb je op de dreven, rotondes, zebrapaden en met een groen stoplicht. Anders heeft rechts voorrang. Meer spelregels zijn er niet nodig. Wel is er goed overzicht op kruisingen nodig en onderlinge vriendelijkheid. Blijft over wat we met die hufters aanvangen, die lui

Een jonge vlerk gooit een blikje op straat. Zeg je daar wat van? Een vader brult zijn treuzelende dochtertje van drie tot de orde, in de supermarkt. Een kind van vrienden kliedert de tafel onder, met ketchup. Zeg je daar wat van? Wanneer bemoei je je wel met een ander, en wanneer niet? Moeilijker is 'waarom?' Mijn ergernis is niet maatgevend voor andermans gedrag. Hoewel, onder die ergernis ligt een opvatting over goed en niet goed. Ik denk dat dat door velen gedeelde opvattingen zijn. Ja, dat denk ik dan maar. Laat ik eerst de smoezeligheid van mijn ergernis even wegpoetsen. Dan verschijnt daaronder zorgzaamheid; zorgzaamheid

Ongegeneerdheid, leven zonder gêne, is geen psychiatrische stoornis. Maar er zijn varianten die tenenkrommend zijn voor welopgevoeden. Ik ken er vier. Neem de grofgebekte negatievelingen. Elk onderwerp wordt besmeurd met een afkeurende saus. Ik ken zelfs iemand die zijn zoon levenslang met 'lul' aansprak. Vaste bijvoeglijke naamwoorden zijn meestal ziektes, erge ziektes.

Zegt ze in haar racefietsbroek op het terras "Oh jee, het begint bij mijn benen. Allemaal rimpels en losse vellen!" Nee, niet mijn vrouw; een ander van het fietsgroepje. Haar decolleté bij voorover bukken had ik al gezien, maar niets gezegd natuurlijk. Wat zeg je nu als beschaafde man op zo'n opmerking over rimpels en vellen? Niets zeggen, dan kan niet. "Luister je wel? Ik zeg wat!", krijg ik dan te horen. "Het valt reuze mee!"  is een dubieus antwoord. Vermoedelijk ontspint zich dan een discussie over de subtiele verschillen tussen objectief erg, het subjectieve leed en de humane waarde van liegen tegen vrouwen over hun uiterlijk. Ook een hopeloze variant, heb ik besloten. "Nee hoor, niets te zien!" Wordt niet geloofd. Daarom heb ik voor empathische oprechtheid gekozen. In de hulpverlening doet die het goed bij erge ziektes en groot verlies.

"Inderdaad zeg! Wat erg voor je!" Ik kreeg een vork naar mijn hoofd. Een volgende keer toch maar negeren kiezen, en schakelen naar "Nog koffie?". Natuurlijk moet ik er dan niet bij zeggen dat negeren in de hulpverlening de klassieker is bij onbehandelbaar getut. Lastig hoor, zeker omdat ik er nu achteraan moet zetten - van mijn vrouw - dat ze best mooie benen heeft. Zou ze me geloven?

Internet is toch een raadselachtig verschijnsel. Per mail krijg ik het aanbod 55 lingeriesetjes te kopen. Dit heb ik één keer gedaan toen ze veertig werd, één setje dan. Ze heeft het pakje opengemaakt op een terras van een borg in Groningen, terug van vakantie met het hele gezin. Ik begreep niet goed waarom de tafeltjes om ons heen - 20 IT-specialisten op cursus - in lachen uitbarsten. Ik had namelijk veel moeite gedaan voor dat cadeautje. Ik was met een slip en BH van haar per trein naar Amsterdam gegaan. Chique lingerie, dat leek me iets voor Amsterdam, de grote wereld waar mensen rare dingen doen, zo las ik in de krant. Daar

Afscheid vindt ze vreselijk. Bijna twee jaar is ze nu. Ze ziet er niet tegenop, bang tevoren dat iemand weggaat is ze niet. Ze huilt pas, onstuitbaar, als het zover is. Ze is het ook zo weer kwijt, dat nare gevoel. Het lijkt op een prikje krijgen. Daar zie je niet tegenop, angst tevoren zit niet in haar aard. Het afscheid komt, dat doet pijn, je huilt en de pijn verdwijnt weer. Eigenlijk is de toekomst er niet. Zo meteen, ze kent het niet. Verdriet is verdriet nu. Verdriet van daarnet, van zo meteen, verdriet van misschien, daar hoef je niet om te huilen, want het is er niet.

Langzamerhand verschuift getob naar pret. De overgang naar de pensioenstatus is gewoon een klus die volgens iedereen leuk is. Ik moet dat leuke er nog van weten te maken. Het is dus gewoon weer werk; dat maken bedoel. Werk leuk vinden is pret maken van getob. Mijn VUT-buurman had er een wekenlange tocht naar Portugal voor nodig, op zijn motor, met een tentje, in zijn eentje. Pas daarna was hij ontspannen gepensioneerd. Wat intrapsychisch voor mij enorm scheelt is appeltaarten bakken. Appeltaarten meenemen is de voorwaarde voor

Ieder heeft zijn neurose. De mijne is uitstellen. Dit neemt groteske vormen aan nu ik met pensioen ben. Voeg daar bij het genoeglijk exploiteren van mijn slechte geheugen en u snapt de chaos in mijn leven. Lijstjes van klussen is het advies van mijn vrouw. Ze snapt het dus niet, want klussenlijstjes zijn problemen, geen oplossingen. Toch ligt er één lijstje boven, ééntje beneden die ik soms op de trap leg om "Zometeen" naar boven te nemen ter fusie met de andere. Verder drie vaste stapels paperassen op het bureau in volgorde van "Te Doen" belangrijkheid, het boodschappenlijstje beneden op tafel, mijn succesagenda in het colbert, en het telefoontje dat  piept als ik in mijn agenda moet kijken. Het helpt maar weinig. Nu ben ik een lijstje met smoezen aan het maken.

Ja, ik denk dat ernstige armoe een moreel excuus is voor bedrog, liegen en oplichting. Maar dan bedoel ik met armoe gebrek aan basisbehoeften als te eten hebben, beschutting tegen kou, bescherming tegen ziekte en sterfte. Oudjes in Siberië, Roma in Roemenië, kinderen in Syrië, die armoede. Dan mag je liegen over je helemaal niet zieke moeder, stelen van wie het beter heeft, oplichten van toeristen. Deze armoede bestrijden is de basis van ontwikkelingshulp. Maar armoede bestrijden helpt niet tegen liegen, stelen en oplichten. We waren in Cuba op vakantie. Daar is voldoende voorzien in die basisbehoefte. Een kilo rijst kost 18 cent, onderwijs en gezondheidszorg is gratis, het klimaat is behaaglijk, de grond vruchtbaar. Er is geen honger, iedereen is goed gekleed. Toch belazeren ze de toeristische kluit. Dan vind ik bedelend een foto van een kind vertonen wat je helemaal niet hebt verwerpelijk gedrag. Dan vind ik de benzinepomp verzetten van 1,20 naar 1,50 $ bij een toerist regelrechte boeverij. Daarom zijn we eerder van vakantie op Cuba teruggekomen, hoe vriendelijk Cubanen ook zijn. Ik verdraag dat niet. Het is zelfs afkeer van die mensen geworden, en achterdocht. Er speelt dus iets anders.

Hoe plas je zonder de boel onder te sproeien? Openbare WC's voor mannen zien er uit alsof een natte hond zich uitgeschud heeft. Spetters een meter in de rondte en omhoog. Dit is al zo sinds ik openbaar plas. Er is niets aan te doen. Thuis ligt dat anders. Er zijn oplossingen. Oplossing 1. is het regelrecht verbod staand te plassen. Veel vrouwen doen dat. De man moet zitten. Oplossing 2. is origineel, bij een man gezien die weigerde te zitten, maar ook zijn vrouw niet wilde sarren. Die had een urinoir geïnstalleerd. Oplossing 3. komt niet voor: de man maakt de WC schoon. Dat is logisch,

Vallende sterren, uit het Noordoosten, de nacht van 12 op 13 augustus. Dan mag je een wens doen, elke minuut weer, want zoveel vallen er. Ik wens dan dat alle mensen een dagje zeggen "Het valt wel mee". ik wens dan dat wie vindt dat anderen hun werk niet goed doen zeggen "Laat ik hem een handje helpen"  Ik wens dat hooggestemde verwachtingen over anderen een dag lang in de kast blijven liggen. Voor wie anders in elkaar zit wens ik dat de verwachtingen over het eigen moeten een dag lang laag blijven. Vandaag mopperen we niet. Vandaag laten we de voordringer bij de kassa vriendelijk voorgaan met "Zal ik uw mandje even wegzetten?" Eigenlijk wens ik dat wie perfectie wil,van zichzelf of van anderen, de dag in onvolmaaktheid viert. Laat het een vriendelijk rommeltje wezen, een dagje maar.

 “Meer vrouwen in leidinggevende posities!” is de roep”. Zelf vind ik mannen/vrouwen niet zo belangrijk. Veel spannender is jong en oud. Ik wil een burgemeester van 19 jaar samen met een gemeentesecretaris van 64 jaar, of andersom. Een ziekenhuisdirecteur van 28 jaar, samen met een financieel directeur van 59 jaar, of andersom. Een 25-jarige die de magazijnlogistiek voor miljoenen automatiseert zonder de kouwe drukte van consultants en beleidsplannen. Een 23-jarige jongedame, hoofd Personeelszaken, die een functioneringsgesprek heeft met een 63-jarige. Dat kan binnenkort ook, want al die babyboomers zijn aan het pensioneren. Dan zijn de 20-ers aan de beurt. Ik denk dat jongeren evenveel fouten maken als 55-plussers. Het verschil

Een jongedame wandelt ’s avonds naar een verjaardag met het hengsel van haar tas schuin over de borst. Een knul op een scooter rijdt recht op haar af, trapt hard  tegen haar been en trekt aan het hengsel. Ze valt op de grond, want die tas zit aan haar vast. Ze springt weer op en vlucht naar dat feestje, even verderop, op hakken. Die knul rijdt scheldend door, "kankerhoer" en zo; een mislukte straatroof. Dat het mislukt is blijkbaar haar schuld. Ze vraagt me " Waarom doet hij dat nou? Ik begrijp zo’n jongen niet". Ik denk omdat hij op dat moment geld nodig had. Dan beroof je iemand. Want dan heb je weer geld. Ik begrijp die redenering ook niet, maar het is wel logisch. Je hebt dorst en dus neem je een glaasje water.

De afdelingsmanagers vragen van de teamleiders jaarplannen, winst en kwaliteitsprojecten. De teamleiders leveren dat. Ze maken verslagen, ze vergaderen en ze bewaken begrotingen. Ze sjorren aan hun medewerkers voor productie en projecten. Die 20 verschillende teamleiders met hun 0,1-0,4 fte aanstelling, met kleine en grote afdelingen, met en zonder problemen, die klagen dat ze het te druk hebben. Zet ze bij elkaar en je hoort 100 verschillende problemen. De één kan ze goed aan, maar niemand weet of dat geluk, competentie of luiheid is. De ander tobt met verlies, overformatie of ruzie op de afdeling. Allemaal willen ze meer uren, meer ondersteuning, meer cijfers, meer procedures. Zo wordt er jarenlang vergaderd zonder oplossing. Als die teamleiders nu eens mee stoppen met vragen aan de manager.

Een enkele keer verslaap ik me. Raar is dat ik dan 1 minuut voordat het spreekuur begint wakker schrik. Gelukkig woon ik dicht bij de praktijk. Tien minuten later zit ik achter mijn bureau, gepoetst en geschoren. Ik heb de wekker dan niet gehoord, denk ik. Maar misschien is dat niet waar. Misschien ben ik vergeten te bedenken dat ik naar de wekker moet luisteren. Vroeger kon ik bij het inslapen denken ‘Wordt wakker als het kind huilt’. Dat sprong ik vlot uit bed als dat kind huilde. Maar een knetterend onweer diezelfde nacht kon me niet wakker krijgen. Vaak word ik 1 minuut voordat de wekker afgaat vanzelf wakker.

Onlangs was ik in Oost-Berlijn, in de wijk Prenzlauer Berg. Het krioelt daar van de kinderen en ouders. Het is een oude, wat rommelige wijk, maar wel behoorlijk opgeknapt. Daar zat ik genoeglijk een boek te lezen op een van de vele terrassen. Er zijn brede stoepen, veel parkjes en kleine speeltuintjes op lege kavels tussen de oude panden. Gewoon zand in die zelfgemaakte speeltuintjes met klauterhout, een koffietentje en koeken voor een euro. Overal zie je vrolijke peuters met jonge ouders. In Almere heb je ook van die wijken, de kinderwagen wijken. Dat ziet er iets minder gezellig uit, zo’n strak Almeerse parkje, met rubberen tegels en een verwijderde schommel omdat 1 omwonende klaagde over het gepiep, van die schommel. Maar goed, de kinderen zijn hetzelfde. Er is wel een verschil, in ouders. In Almere komt een apart opvoedingstype voor: de Commando Opvoeding.

Op vakantie in de Pyreneeën moet er natuurlijk gefietst en gewandeld worden. Al te stoere wandeltochten probeer ik te vermijden, want een beetje hoogtevrees heb ik wel. Een klein vreesje maar. Een berg op met veel bomen, dat is prima. Maar een uitgehakt rotspaadje langs een afgrond van 100 meter diep, dat is me te bar. Tintelen in mijn maag, kriebels in mijn kuiten. Het is eigenlijk heel normaal. Eigenlijk is het geen hoogtevrees. Het is besef van de werkelijkheid.

Sommige mensen zijn allergisch voor mensen, voor alle mensen. Hen breekt het zweet uit op een receptie. Overleggen, samenwerken, telefoneren, ze vinden het zwaar. Het liefst doen ze alles per mail. Bij zware mensenallergie kan men beter boswachter worden, internationaal chauffeur of webwinkelier. Het zijn gelukkige mensen, als ze het goed regelen. Iedereen heeft wel een beetje mensenallergie, gericht op een bepaald type mensen.

Mensen verschillen. Je hebt leiders en leuners, voortrekkers en volgers, trekkers en talmers. Als op uw werk het aanrecht vol staat met vaatwas, dan zijn het steeds dezelfde mensen die de afwasmachine vullen. Iedereen irriteert zich. Een goed team heeft het goede mengsel van trekkers en talmers. Teveel trekkers is erg vermoeiend. Het schiet wel lekker op, maar het is heftig, al dat enthousiasme. Ook ken ik een team van uitsluitend talmers. Bij elke sollicitatie nemen ze weer een talmer aan. Daar gebeurt dus nooit iets. Maar ze zijn wel op tijd thuis.

Catastrofaal denken is verwachten dat het wel weer mis zal gaan, dat je het weer niet snapt. Sommigen hebben dat met tabellen. “Ik zal het wel weer niet snappen”, zegt het verwachtingsduiveltje in je hoofd. Tabellen vind ik toevallig erg leuk om te lezen. Veel duidelijker dan bladzijden lang geneuzel. Maar ik ken het wel, dat catastrofaal denken. Mijn verwachtingsduiveltje duikt op in mijn brein als ik op knopjes druk. Het is nog erger.

Personeel advertenties werven sollicitanten met contactuele vaardigheden, vlotte presentatie,  representatief uiterlijk, analytische geest, brede interesse, leidinggevende capaciteiten en een brede ervaring; liefst rond de dertig jaar. Moet je het je eens voorstellen, vijftig van zulke mensen op één afdeling. Ik zou er niet tegen kunnen. Wie doet dan de boekhouding? Het liefst iemand zonder veel contactuele vaardigheden, want al dat gebabbel leidt alleen maar tot fouten. Wie doet loyaal de verkoop?

Het moet in 1965 geweest zijn of zo iets. In ieder geval, wij waren jong en het schip was oud, die lekke zeilsloep van de stam. Misschien drijft het gevaarte nog. Zeilen deed de sloep niet, maar wij konden er wat van. En als het allemaal niet wilde, dan ging de diesel aan.

Die diesel was een enorm gevaarte, vet, lawaaiig en vooral smerig. Tenminste, dat vond ik, want Peter vond het een pracht. Er was altijd wat met de keerkoppeling, de olie of de koppen, wat dat ook wezen mag. Peter hield daarvan, stukkende machines en praatjes over vrouwen waren zijn twee hobby’s. Met de vrouwen is het nooit veel geworden, maar te repareren aan die diesel viel er genoeg.

Gezegd wordt dat Eskimo’s tientallen woorden kennen voor soorten sneeuw en ijs. Zeelieden onderscheidden vroeger de bramzeilbries van de labberkoelte. En bergbewoners kennen meer steiltes dan onze heuvels en dalen. Ik vroeg me af hoeveel woorden we hebben om water te benoemen. Gracht, kanaal en ringvaart zijn voor Neder­landers drie verschillende watergangen die de Engelsen allemaal ‘canal’ zullen noemen.Ik kom tot zo’n 100 woorden, inclusief samengestelde woorden als boezem, bovenboezem, hoge boezem. De overeen­komst in de reeks is steeds ‘water ergens in, voorkomend in Nederland’. Golf, fjord en stuwmeer doen dus niet mee. Woorden als rak, mui en kwelder zijn misschien wel meer dan duizend jaar in gebruik, nog steeds. Andere oude woorden bestaan alleen nog in aardrijkskundige namen van watergangen, zoals de Brabantse Aa en de Westlandse Lee. De woorden randmeer, spaarbekken en zuigerput zijn moderne woorden.

Onze natte geschiedenis is rijk, onze natte woordenschat ook.

Nederlandse waterwoorden

Aa

Afwatering

Beek

Bekken, waterbekken

Gisteren heb ik niet gerookt. Dat leek me een aardig verjaarscadeautje voor haar, een dag niet roken na 40 jaar verslaving. Dat vond zij ook, gelukkig. Vanochtend bedacht ik dat nog een dag niet-roken erg stoer zou zijn. Ik kan altijd weer beginnen met roken, morgen bijvoorbeeld. Ze vroeg ‘Ben ik nog een beetje jarig vandaag?’. Ze bedoelde ‘Krijg ik nog een dag niet- roken cadeau?’ Ja, je bent nog een dag jarig.

Mijn vader is dood gegaan. We hebben geluk gehad. Wij sterven in de goede volgorde: hij eerst, ik later. Verder leven wilde hij niet meer. Toch lukte het sterven niet. Hij had namelijk breinziektes waaraan je niet zomaar dood gaat, zoals tobberigheid, angsten, Parkinson en dementie. Dat bedlegerige en rolstoelafhankelijke vond hij nog het makkelijkste te dragen. Maar dat zijn brein verkruimelde, dat vond hij vreselijk. Zijn denken was zijn werk, zijn lust en zijn leven. En dat verpulverde, bij leven. Gelukkig kwam er een longontsteking langs, de vriend van oude mensen.

Wat doe je als je baas niet doet wat je vraagt? Je vraagt iets simpels, maar de baas reageert niet. Bazen doen dat vaak. Machteloosheid, denk ik dan. Neem nu het aanstellingscontract van Jan. Daar staat een foutje in.

Een mierenkolonie is een goed georganiseerd bedrijf. Het beschermt de koningin, haar eieren eigenlijk. Ze sjouwen heen en weer voor eten. Ze verdedigen zich tegen vijandige buurmieren. Ze herstellen de mierenhoop na een plensbui. Het vreemde is dat de mierenkolonie geen manager heeft. Er is geen raad van bestuur, er zijn geen teamleiders. Dit lijkt op ons brein.

Op het terras van de Markt zitten vier levenswijze middelbare mannen. Dit biermoment wordt steeds onderbroken door groetende langslopers. Wie groette je daar? Vraagt de één aan de ander die begroet wordt. Geen idee, zegt die ander. Ik ken zijn gezicht al jaren, maar het is wat pijnlijk als ik laat merken dat ik zijn naam niet ken. Gezichten herken ik feilloos, maar zonder namen.

Gezonde mensen kunnen kijken. Maar niet iedereen kan zien. Mensen kunnen zelfs talent hebben voor zien, of niet. Ik heb geen talent voor zien. Ik kijk dwars door u heen, ik zie u niet, als ik u tegenkom in een andere omgeving dan waar ik u van ken.

Angst is vaak een onlogisch idee dat als kauwgum vastplakt aan gebeurtenissen, ongemerkt. Je hoort bijvoorbeeld gestommel beneden, midden in de nacht. Wie bang is voor inbrekers denkt dan direct aan inbrekers. Een ander denkt bij gestommel ‘s nachts ‘Die stomme kat stoot vast weer iets om.

Er kan altijd iets naars gebeuren. Dat moet u toch met me eens zijn. Als je daar goed over nadenkt, dan is er altijd reden om angstig te zijn, voor onverwachte narigheid. “Je weet maar nooit”, zo heet het. Of: “Je zult die ene maar zijn”. Angstigheid is dus normaal, het is vanzelfsprekend. Zelf heb ik wat kleine angstjes, zoals mijn tramangst in grote steden, peentjes zweten als ik in zo’n tram moet.

Sporters zien af, zo noemen ze dat: afzien. Afzien betekent voor een sporter dat je pijn hebt en toch doorgaat. Daar zijn ze trots op.  Zelf ben ik geen sporter van nature. Dat is erfelijk. Geen enkele van de 50 familieleden van mijn vaders kant doet aan sport.

Je stoot met je winkelwagentje in de supermarkt een stapel koekjes om. Het wordt een genante warboel. Schuldig om je heen kijken, stom van je, sorry zeggen, en opruimen. Er zijn mensen die ogenblikkelijk gaan trappen tegen het winkelwagentje. Een enkeling is hier extreem in.

Dag Pa! Je bent een jaar geleden gestorven. Ik kom even een praatje maken, meer voor mezelf, want antwoord geef je niet meer. Gisteren hebben we je graf bezocht; niks bijzonders eigenlijk, een beetje dooie boel met stenen en plantjes.

Als u achter me zegt ‘Ga eens opzij’, dan stap ik vriendelijk opzij, ook in de rij bij de kassa. Ik ben een letterlijk denkend mens. Anderen zullen geen voet verzetten, maar verontwaardigd omkijken. De toon bevalt hen niet. Maar wij letterlijken begrijpen weinig van toon. We zijn eenvoudig denkenden in een ingewikkeld wereld. Net zo met bordjes rechtdoor, met de pijl naar boven. Ik kijk altijd even omhoog, tegen beter weten in.

Gisteren op bijscholing geweest, in Zwolle, over gezinnen met veel problemen en hoe je dat dan doet, vanuit de welzijnsstichting en de zorg. Fascinerend volkje, die welzijnsmensen. Daar durven mensen nog met droge ogen te beweren dat je vraaggestuurd moet werken met probleemgezinnen en schulden, in overleg met de cliënt, en dat je vooral transparant moet terugkoppelen op vrijwillige basis. Zonder argumenten trouwens. Gelukkig waren er ook veel praktische mensen. Debat dus.

Je bent jong en je wilt wat, zo klinkt het enthousiast. Marcel, 25 jaar, leuke baan, kocht een huis maar had ook een dure smaak. Zijn ouders hielpen hem met de hypotheek en de inrichtingskosten. Voor heel veel geld richtte hij beneden in en toen was het geld op. De bovenverdieping is nu nog kaal beton en onbewoonbaar. Een andere Marcel kocht samen met zijn vriendin een huis en richtte dat duur in met behulp van de bank.