Ze barstte van de hoofdpijn, al vele jaren. Haar neuroloog werd simpel van haar, geïrriteerd zelfs. Was hij nota bene druk om haar zeldzame hoofdpijnsoort - een arteritis temporalis - keurig te behandelen, zit ze tegenover hem aan te dringen op een oplossing voor haar gewone hoofdpijn. En achter zijn rug om naar een neuroloog elders die haar neef had aanbevolen als een aardig mens. Alsof het daar om ging, een aardige dokter.

Hij moest zorgen dat ze geen beroerte kreeg van die arteritis. Beetje minder prednison, beetje meer, hij was goed bezig, vond hij. Dat vond ik ook. Maar mevrouw niet. Ze had ook gewone hoofdpijn en dat sloopte haar. Zijdelings kregen ze tranen in haar ogen toen we op haar man kwamen. Ik weet nooit goed hoe dat soort gesprekken landen bij verdriet, maar het gebeurt in ons vak, zomaar. Het bleek dat haar man na een beroerte een slome zoutzak geworden was. Van een actieve opgeruimde klusser was hij veranderd in een initiatiefloze vreemde in de stoel. Al jaren riep ze zijn naam, waar hij was, en dat het plafond nodig gewit moest worden. Niets, geen antwoord. Hij was niet dood, hij was niet levend. Haar echte man was al jaren verdwenen. Ze miste zijn goeiige grappen, zijn geklus, zijn aai over haar bol. Ze rouwde om het verlies van haar man, maar dat was een beetje raar verdriet. Hij zat namelijk gewoon in de kamer. Haar man was al jaren dood en begraven, in zijn eigen brein. Zij was levend begraven in haar eigen verdriet. Ze gaat er mee aan de slag, met  verdriet therapie. Dan kunnen we haar een weduwe noemen, met een bijzondere zorgtaak: zorgen voor haar man.