Toen in december 1976 de eerste 100 gezinnen hun nieuwe huis in Almere Haven zouden krijgen moest er een paar voorzieningen zijn. Politie en ambulance waren er al. Want er was moest wel eens een stroper betrapt worden en er brak wel eens een been van een bouwvakker. De basis was op tijd geregeld: bakker, supermarkt en een TV-aansluitingsmonteur openden hun deuren op 1 december. Maar een dokter waren ze een beetje vergeten.

In september is gauw in het archief gekeken. Er zaten tien bruikbare brieven van dokters in. Mijn open sollicitatie zat er tussen, uit 1973. In dat jaar, vijfdejaars geneeskunde, had ik besloten huisarts te worden. Want dan hoefde ik geen specialisme te kiezen. Ik vond namelijk elk specialisme leuk. Almere leek me wel wat: een onbebouwde superpolder – mijn landschap - ; het leegste zeilwater van Nederland – mijn hobby - ; en het geheel ontbreken van een zorgsysteem – ruimte voor ideeën. Alles was blanco. Dat leek me spannend. Tamelijk overmoedig, maar goed, dat ben je als twintiger. Door een gelegenheidscommissie van twee zorgstichtingen uit de polder en een ambtenaar Welzijn en Zorg van de gemeente Lelystad ben ik uitgekozen, omdat mijn sollicitatiebrief een soort beleidsnota was, hoe de zorg georganiseerd moest worden. Dat scheelde ze een hoop werk. Of ik 1 december kon beginnen, vroegen ze in oktober; en veel succes ermee. Het moest allemaal wat stiekem, want de Gemeenteraad van Lelystad had net een verlies van een miljoen geleden aan een pand voor huisartsen en GGD in Lelystad; of het college van B&W zich voortaan alsjeblieft verre wilde houden van dokters en de zorg in het algemeen. De Gemeenteraad had de buik vol van dat dure gedonderjaag. Toch wilde de wethouder er een beetje lijn in houden, onofficieel dan. Zijn ambtenaar bood aan mij aan te stellen als gemeentelijk lijkschouwer, op papier, zodat hij een financiële ondersteuning budgettair weg kon werken. Een dokter kon natuurlijk niet van 100 gezinnen leven. De geldelijke steun nam af met de groei van het aantal patiënten. Ik kreeg een lijkschouwers stempel en een rode lakstift. Of ik alsjeblieft elke maand wilde declareren, maar ik mocht het tegen niemand zeggen, zeker niet tegen Lelystadse raadsleden. Nee, ik hoefde niet beëdigd te worden. Dat gaf maar onrust. Nee, ik hoefde ook niet per lijk te declareren, gewoon per maand een vast bedrag. Budgettair was ik de GGD van Hollandse Brug tot knardijk; een lijkschouwerspraktijk zonder lijken. De huisartspraktijk was in oppervlakte de grootste van Nederland, een halve provincie van 40.000 hectare, met maar een paar honderd patiënten. Het is allemaal goed gekomen. En wat ik in mijn sollicitatiebrief schreef over hoe het moest worden, dat ís het ook geworden. De wethouder heeft waar voor zijn geld gekregen.