Ik hou niet van problemen. Ik hou van oplossingen. Dat is lastig in mijn vak, want mensen komen met problemen. Die wil ik dus rap oplossen. Neem nu ruzies met de woningcorporatie, chef of partner. Er zijn mensen die het alle drie tegelijk doen. Dat is slopend voor ze en dus vragen ze me wat ik van hun vermoeidheid vind. Bloedarmoede misschien? Dit is inderdaad geen grote geneeskunde. Maar ja, ze gaan gewoon tegenover je zitten, op een 10 minuten-spreekuur. Ik probeer wel eens de analytische methode. Ik zet dan de mislukte oplossingen voor de levensproblemen op een rij. “En, hielp het toen je ging schreeuwen tegen je chef?” Nee, dat hielp niet. “Hielp het toen je huilend wegliep?” Nee, dat hielp ook niet. Daarom is hij zo moe. Daarom komt hij vragen wat ik er van vind. Zullen we dan eens naar andere oplossingen kijken? Ik schets een uitgekookt plan van aanpak, zoals een consultant dat doet. Als ik dan tevreden wil afsluiten

met de eerste opdracht, dan gaat het mis. Het ‘ja-maren’ barst los. Ik kom dat vaker tegen: verbazend fel verzet tegen logica. Het lijkt op mijn vraag of de slaaptabletten goed helpen. Nee, ze slapen helemaal niet. Met opgeruimde blik stop ik dan de slaaptabletten, want ze helpen niet en dus moet je iets anders. Vreemd genoeg protesteren ze allemaal. Ik heb gevraagd aan de huisarts in opleiding hoe hij dat nu doet. Nooit adviezen geven was zijn advies, zeker geen verstandige adviezen; uitsluitend begrip tonen. Dan gaat het vanzelf. “Hoe gaat het met jou nu je bijna met pensioen gaat? Lukt het loslaten een beetje?” Hij keek me begripvol aan. Het zint me niet. Nu heb ik een probleem dat ik eerst niet had. Ik ga uitvoerig in de aanval tegen zijn methode. Hij grijnst.