Dokteren is leuker als je een beetje van je patiënten houdt. Dat is lastig als ze foute dingen doen. Wat zou u doen als de incestpleger intens verdrietig voor u zit, zijn verhaal vertelt, half stikkend in zijn schuldgevoel? Wat zegt u als iemand zijn vrouw mept? Wat te doen met de cocaïne-gebruiker die zijn hele bedrijf in zijn neus gestopt heeft? En dan de jongeman die gonorroe plus chlamydia in het dorp rondsproeit. Al zijn liefjes komen langs, met precies dezelfde bacteriën. Ik krijg het niet voor elkaar eerst begrip tonen, vriendelijk het verhaal aan te horen zoals een huisdokter hoort te doen.

 En dan voorzichtig op te merken “Wat vindt u daar nu zelf van?”. Ik kan dat niet. Ik gooi direct mijn eigen moraal erin. Bijna impulsief zeg ik wat ik ervan vind. “Je meent het! Dat is fout, zeg!” Of: “Hoe haal je het in je hoofd, dat meppen, dat snuiven, dat anderen onvruchtbaar maken!” De kunst is niet de persoon te veroordelen, alleen het gedrag. Je kijkt samen naar dat te veroordelen gedrag. Samen keuren we het af. Dan ben ik het kwijt. Dat is goed voor mijn mentale hygiëne. Die vind ik minstens zo belangrijk als de geestestoestand van de patiënt. Daarna kan ik weer de dokter zijn. Dan kan ik weer een beetje houden van de incestpleger, de mepper, de snuiver en de chlamydia verspreider. Ik heb geen hekel aan ze.