Ik durf er niet goed over te schrijven, over getut. Mensen denken dan dat je al hun klachten getut vindt. Dat wil ik niet, want mensen moeten overal over kunnen praten in de spreekkamer. Bovendien moet je oppassen voor de Kwaaie Tut. Die vliegt je zowat aan als je zegt ‘Is niks. Nog meer vragen?’. We gaan dus wat omzichtig om met getut, uit beduchtheid voor klachtenprocedures. Bovendien, ons werk is nu juist onderscheid maken tussen kleine en grote klachten, tussen beroerd gaat over, beroerd gaat nooit over en behandelbaar. Dat is wat we doen. De hersenchirurg doet wat anders. Die ziet alleen behandelbare zaken. Dat lijkt me wel makkelijk, eigenlijk.

De vierde groep klachten, het getut, bestaat officieel niet. Nou ja, laat ik maar eerlijk zijn. Het komt soms voor, bij alle soorten mensen. Het gaat om bescheiden mensen die geheel van slag zijn als ze in hun lichaam iets voelen zoals prikkels, steken, duizelingen en gebons. Het is een soort inwendige blindheid. Gebeurt er dan toch iets in dat lichaam van hen, dan schrikken ze even hard als een blinde die bij Blokker een glazen vaas omstoot. Het is een handicap. Daar zijn er meer van, zoals de sociale blindheid bij mensen die op een receptie alleen staan. Sociale signalen zien ze niet. Ruimtelijke blindheid is ook zielig. Die mensen blijven met hun mouw steeds haken aan hun eigen deurknop. Handenblindheid is te herkennen aan blauwe duimen en scheve schroeven. Getut is dus een sneu gebrek. Daarom zijn mensen met getut welkom. Maar die omzichtige uitleg is wel eens vermoeiend.

Ik heb een fantasie dat ik hersenchirurg  ben. Ik zeg dan opgeruimd bij een pijnscheutje op de kruin 'Geen hersentumor, het is gewoon getut!’. De dankbare patiënt verlaat opgelucht de spreekkamer. Heerlijk idee.