Er zijn twee soorten redenen voor schulden: eigen schuld of andermans schuld. In de krant gaat het altijd over eigen schuld. Dat is prettig voor krantenlezers zonder schulden. Die kunnen dan moraliseren. Een ander dom vinden is een prettige gedachte. Bij de andere groep moet je denken aan de zakenpartner die met de centen gaat lopen en jou de kosten laat. Jarenlang ploeteren en hopen dat je het bedrijfje alleen overeind kunt houden. Of denk aan hulpelozen, gestoorden en beschadigde mensen. Die verdwalen in de bureaucratie. Die zien financiële fouten van instanties niet. Brave hulpeloosheid helpt niet als instanties slordig zijn. Of de ex die bij de scheiding slim wegloopt voor de gezamenlijke schulden. Denk aan agressieve ex-en waarbij de ander het wel uit het hoofd laat om te procederen over de gezamenlijke schuld.

Wranger is het als wrede vrouwenmeppers de resterende echtelijke schuld laten liggen bij hun slachtoffers. Zo’n vrouw, voor het leven beschadigd, moet jarenlang de huurschuld betalen van het huis waarin ze tien jaar is opgesloten, verkracht en geslagen. Het enige verschil met de Dutroux-zaak is de leeftijd van het slachtoffer en het trouwboekje.

Al die krantenartikelen over schulden laten deze verhalen liggen. Ik zou zo graag een wet willen die deze mensen helpt. De Wet op Schulden door Andermans Schuld. Voor huiselijk geweld is dat wel geregeld. De Staat kan mishandelaars aanpakken als slachtoffers geen aanklacht in durven dienen. Ik zou een wet willen die slachtoffers van schulden helpt, als die niet meer kunnen procederen, niet durven vechten voor hun recht. Ik zou een zorgzame, moraliserende Staat willen. Schulden hebben lijkt op verdrinken. Wie niet kan zwemmen en er toch inspringt, die is dom. Dat vinden we ook een beetje zielig, dus die gaan we helpen. Wie best kan zwemmen, maar door een ander onder water geduwd wordt, die helpen we niet. En dat vind ik amoreel.