Vorige week zei een vrouw ‘Het gaat niet goed met me’. Tissues. In één jaar had ze acht forse tegenvallers. Moeder dement, vriendin overleden, conflict met de baas, collega ziek, financiële ellende, verhuisd, puberzoon met problemen, man ontslagen. En nu was het op, burn-out, afgebrand, uitgeput. Soms duikt in zo’n verhaal oud verdriet op, oude krassen op de ziel. Dan is het lastiger, want oude zielekrassen voeden de actuele burn-out als petroleum op een kampvuur. Ik feliciteerde haar, want ze was recordbreker met acht keer ellende.

Het burn-out record stond in onze praktijk namelijk op zeven tegenslagen. Dat is al veel, want gemiddelde vrouwen knappen af bij vijf en mannen bij drie. Maar zij was een taaie. Nu niet meer. Nu waren tissues nodig, veel tissues. Hoe verder? Ze moest maar eens de leiding nemen over haar eigen lijden. Zij mocht beslissen wanneer ze echt zou stoppen de boel overeind te houden. Morgen? Over een paar weken? Maanden kan ook, als je even doorbijt. Meer tissues. Zij koos gisteren. En welke éne taak wil je vasthouden? Ik weet dat dit laatste nooit lukt, maar daar komt ze wel achter. Ik vertelde haar van de Burn-out Wet. ‘Opknappen kost twee keer zoveel tijd als afknappen’. Drie weken beroerder worden tot het dieptepunt betekent zes weken herstel daarna. Eerst veel slapen, daarna slecht slapen. Eerst huilen, daarna piekeren. Mocht ze eerder weer taken op zich willen nemen, ook goed. Wel moet ze beslissen welke taken eerst, welke het laatst en welke nooit meer. Want zij is de baas. Zij heeft de regie; niet de regie over wat ze allemaal gaat doen, maar de regie over wat ze nièt gaat doen, of nòg niet, anders, of later. Het gaat haar wel lukken. Want ze is al recordhouder afknappen. Nu wil ze recordhouder opknappen worden.