In de weekenddienst zien we nogal eens wanhopige drinkers. Diepellendige mensen, soms drammerig, soms dronken, soms alleen maar huilend. Allemaal willen ze een snelle oplossing, van een ander, op dit moment. Ze eisen als het ware prompte genezing op zaterdagavond elf uur. Ze irriteren ons daarmee nogal. Triest is het wel.

Ze kunnen geen kant meer uit, want alles is kapot: huwelijk, ouderschap, vriendschappen, familierelaties, baan, fitheid en uiterlijk. Drinkers zijn er in twee soorten, met beschadigd DNA  of met een beschadigde ziel. Er zijn families waarin vrijwel iedereen alcoholist wordt. Ze hebben aanleg voor alcoholverslaving. Die gaan drinken op hun 13e en zijn zwaar verslaafd op hun 16e. De andere groep heeft zoveel narigheid meegemaakt dat ze verdoving zoeken. Flink drinken helpt dan geweldig. Al dat geweld in hun jeugd, die verkrachtingen, van jongs af aan afwijzing van alle volwassen mensen, die hele voorgeschiedenis lost op in de alcohol. Vaak zal het beide zijn, aanleg voor verslaving en littekens op hun ziel. Die ziel blijft gekwetst worden, want drinkers zoeken elkaar op. Het wereldje houdt zichzelf in stand. Dat irritante eiserige is hetzelfde als wat ze met alcohol doen. Ik wil nu opgenomen worden, want ik wil nu van dat nare gevoel af. Ze wensen van de hulpverlening net zo snel effect als van een paar biertjes. Tegelijk maakt die fles ze ziek, dat weten ze ook wel. De fles is de boosdoener. Daar moet de dokter wat aan doen. Ze vragen geen hulp voor zichzelf, behalve mededogen. Ze vragen behandeling voor de fles. Want die is hun ziekte. De fles moet opgenomen worden in de kliniek, gevangenisstraf erbij. De volgende keer zal ik dat eens voorstellen aan zo’n drinker. We nemen de fles op in de verslavingskliniek; pinpas en portemonnee erbij. De drinker kan gewoon thuis blijven.