In onze duopraktijk kunnen de twee dokters verschillende meningen hebben. “Dokter van B. zei dat ik een kuurtje kon krijgen”. Soms ben ik het daar niet mee eens, maar geef ik toe. Dat kuurtje wordt geschreven. Om te plagen probeer ik het wel eens anders.

 “Ben ik grondig oneens met dokter van B. We gaan het anders doen”. Van B. doet het ook wel eens met mij. “Dat kan van Duijn wel vinden, maar we gaan het anders aanpakken”. Het ombuigen van elkaars uitspraken is lastiger. Je legt dan uit wat de ander bedoelt, zodat je eigenlijk hetzelfde bedoelt, maar net even anders doet. Elkaar de hemel in te prijzen kan ook, of je zelfs verschuilen achter de ander . “Nou, als zij (met klemtoon) dat zegt, dan doen we dat maar gauw”. Dreigen met “Laat hij het maar niet horen!”, dat doen we niet. Maar voor de rest zijn we net de paps en de mams van de praktijk, in deeltijd.

Toen onze kinderen klein waren deden mijn vrouw en ik het anders. De kinderen kregen alle ruimte om ons tegen elkaar uit te spelen. Eerst aan paps vragen of ze mochten buiten spelen na het eten. Kregen ze van mij een nee, dan holden ze naar mams. Die vroeg nooit wat ik er van vond. Ze oordeelde zelf. Vond zij het goed, dan kregen ze hun zin. Of andersom: zij nee, ik ja, dan mocht het. Dat vonden wij een faire afspraak, en een sport. Jammer voor de kinderen waren we het onafhankelijk van elkaar meestal eens. Dan hadden ’s avonds pret om het voorval.

Gelukkig zijn mijn collega en ik het meestal eens, zonder overleg. Gelukkig voor ons hollen onze mensen niet naar de andere dokter als ze niet krijgen wat ze verwachten. Patiënten zijn geen kinderen. Maar onze napret is hetzelfde.