John heeft zijn levenlang gezopen als een dragonder. Op zijn vijfenveertigste was zijn lever één littekenklont, tien liter vocht in zijn buik, suf van de geelzucht. Hij heeft het overleefd. Sindsdien dronk hij niet meer. Hij en ik waren daar trots op. Ondertussen was zijn brein pap geworden. Dat heet  Korsakow. De uitleg daarover blijft niet hangen. Daarom heb ik hem een brief geschreven.

“Beste John, je hebt Korsakow door de alcohol. Dan is je geheugen stuk, je brein is kapot. Kom rustig langs voor een praatje”. Inderdaad komt hij keer op keer verbaasd vragen wat Korsakow is en waarom ik hem verboden heb auto te rijden. “Vandaag kreeg ik een brief van je …”, elke keer weer.

De geestkracht die hij had om te stoppen met drinken is sindskort kapot en dus drinkt hij weer. Korsakow door de drank, nu drinken door de Korsakow. Hij heeft weer een buik vol vocht, valt vaak, heeft geïnfecteerde wonden.

De verslavingskliniek kan hem niet hebben, want hij is te gedragsgestoord. De Korsakow kliniek wil hem niet, want hij heeft een lastige dronk. Het ziekenhuis neemt hem alleen op als hij te ziek is om lastig te zijn. Hij is daar inderdaad niet te hanteren. Het verpleeghuis kan hem niet hebben, want hij verstoort de dementen. Een psychiater kan weinig beginnen met iemand die zijn hulpvraag steeds vergeet. En de rechter kan geen dwangbehandeling toewijzen (waar trouwens?), want de wet staat dit nauwelijks toe. Met dank aan de juridische ethiek. John heeft een onbehandelbare ziekte waar we een hekel aan hebben. We hebben een hekel aan John. Ik vind het een schandaal.