Op herhaling voor de reanimatie cursus. Weer even oefenen hoe dat moet, die hartmassage. Dertig keer hartmassage en dan twee keer mond-op-mond beademen. Of beademen zin heeft wordt betwijfeld. Gelukkig maar. Ik vind het vies. Diep genoeg die borstkas indrukken, goed terug laten komen – “Niet leunen, meneer van Duijn!” – in het juiste ritme van 90 tot 110 keer per minuut. Door dat steeds leegdrukken van het hart en het weer terug laten veren van de borstkas, en dus volzuigen van het hart, schijn je een bloeddruk van 70/30 te kunnen krijgen. Dat kan net genoeg zijn om het zonder hersenbeschadiging te overleven; als je het overleeft.

Overleven kan, als je er binnen 2 minuten mee begint. Tenminste, als je verder redelijk bent. Bij een ernstig zieke met één been in het graf gaat dat natuurlijk niet lukken. Beter is het dan helemaal niet te proberen. Breindood overleven is niet de bedoeling.

We kregen les van twee Intensive Care verpleegkundigen. Dat is apart volk. Fietsend in het park met hun kinderen kijken ze stiekem om zich heen of er niet iemand bewusteloos van zijn scootmobiel valt. Het gebeurt nooit, maar ze hopen het wel, iets doen, levens redden. Ze zeggen het niet hardop, maar eigenlijk genieten ze ervan, van levens redden. Vlak voor het slapen gaan liggen ze met hun mobieltje aan het oor, verzaligd luisterend naar de audio van twee (twee!) langs rijdende ambulances. Normaal zijn ze niet, dat is duidelijk. Maar als mijn hart plotseling stopt, dan hoop ik dat deze aparte types langsfietsen; of één van hun cursisten.